PlusReportage

Op de grond slapen in de bloedhitte in Ter Apel: ‘Wat zijn wij: dieren?’

Asielzoekers bij het aanmeldcentrum in Ter Apel maken zich op voor de nacht in de buitenlucht.  Beeld Vincent Jannink/ANP
Asielzoekers bij het aanmeldcentrum in Ter Apel maken zich op voor de nacht in de buitenlucht.Beeld Vincent Jannink/ANP

Een tentenkamp op de harde grond van Ter Apel vormt het wrange symbool van de Nederlandse asielcrisis. Er is niks: geen stroom, geen douche, geen hoop. ‘Niemand vertelt ons hoe lang dit duurt, niemand weet wanneer we geholpen worden.’

Sander van Mersbergen

Dinsdag, 23.00 uur

Voor de tourniquet van het aanmeldcentrum in Ter Apel staat een familie. Ze zijn hier net aangekomen. Drie mannen, twee vrouwen, twee kleine kinderen. Een jongetje, drie jaar oud misschien, huppelt wat heen en weer. In de wandelwagen ligt een baby. Ze mogen niet naar binnen, zegt een beveiliger, een blikje Fanta in zijn hand. Het is vol.

Een van de mannen kijkt hem smekend aan, maar de poort blijft dicht. Ook voor kleine kinderen. Vertwijfeld nemen de volwassenen de omgeving in zich op. Even overleggen ze wat te doen. Dan zetten ze koers naar de tenten, de wandelwagen hobbelt voor hen uit.

18.00 uur

Eerder op de dag, bij diezelfde tenten. Als we arriveren staat Mahmod zich net te wassen - of wat daarvoor door moet gaan. Vanuit een fles gooit hij wat koud water over zijn hoofd. Provisorisch haalt de Syriër een natte handdoek onder zijn oksels langs. “Geef me vijf minuutjes,” zegt hij, een handdoek om zijn middel geknoopt.

Elf dagen slaapt hij hier nu al, in deze tent. Plat op de harde Groningse grond, die soms zo beeft dat de mensen er bang van worden. Maar voor Mahmod is het toch vooral de grond van de stilstand; van een asielprocedure waar geen enkele beweging in zit. Hij wijst op de vloer, waar lakens liggen, en op de schaduwdoeken boven zijn hoofd. Is dit wat ze in Nederland opvang noemen? Een paar aan elkaar geknoopte witte lakens bedekken zo goed en zo kwaad als dat gaat de openingen aan de flanken, maar zelfs in zijn in puin geschoten thuisland zou Mahmod dit geen muur noemen.

Iedere ochtend meldt hij zich bij de poort van het aanmeldcentrum in Ter Apel, in de hoop dat de mensen die de selectie maken op zijn papieren kijken en tegen hem zeggen: aah, Mahmod, jij bent het! Mahmod uit Deir-ez-Zor. Kom maar door. We gaan die procedure van jou nou eens even vlot afwerken.

Maar dat gebeurt nooit. In plaats daarvan zeggen ze nu al twee weken tegen hem: nee, jij niet, Mahmod. Vrouwen en kinderen gaan voor. Ga jij nog maar even terug. Sorry, geduld. Dat zijn de woorden die hij en zijn tentgenoten het vaakst horen. “Sorry, sorry, we horen niks anders!” zegt een Syrische jongen die bij hem in de tent verblijft. “Wat moeten we daarmee? Niemand heeft enig idee, niemand vertelt ons hoe lang het duurt, niemand weet wanneer we geholpen worden.”

De mensen voor wie binnen geen plaats is, worden aan het einde van de dag met bussen naar een crisisnoodopvang gebracht. Dat is tenminste de bedoeling. Niet elke dag slaagt het COA erin genoeg capaciteit te regelen, en bovendien: niet iedereen wil instappen. Veel mensen vrezen bij terugkeer in Ter Apel achteraan de rij te belanden. Het is voorgekomen dat de bus ’s avonds naar Geleen ging, helemaal in Limburg, en dat de passagiers de volgende ochtend weer in Ter Apel werden afgezet.

En zo is er in twee weken tijd plots een tentenkamp ontstaan voor de poorten van het aanmeldcentrum, waar elke nacht enkele honderden mensen slapen. Het begon met doeken die het COA ophing als bescherming tegen de zon. De asielzoekers maakten er daarna zelf een slaapplek van. Inmiddels hangt er ook was te drogen, hier en daar staat een fiets tegen een paal.

19.30 uur

Een eindje verderop zit Artyom, een 27-jarige man uit Belarus. Hij laat zijn paspoort zien: hij is vandaag jarig. Nooit kon hij bevroeden dat hij het feestje dat daarbij hoort zou vieren in een berm in Oost-Groningen, in de brandende zon. Zelfs niet toen hij een week geleden uit Belarus vertrok. “Ik kwam bij de poort, iemand van het COA zei dat ik niet naar binnen mocht. Waar moet ik slapen dan, zei ik, op straat? Toen zei hij niks meer.”

Het is 35 graden, nog steeds. De asielzoekers kregen even geleden hun avondeten, door hulpverleners geserveerd vanuit een frietkar van voetbalvereniging SPW uit Stadskanaal. Mensen scharrelen wat rond, maken een praatje. Maar de meesten liggen ergens in het gras, kijken doelloos voor zich uit. Wie nog genoeg batterij heeft scrolt op zijn telefoon. Opladen, dat gaat hier niet, en dat is echt een probleem. De telefoon is voor vluchtelingen een ‘lifeline’, zegt Goof van Dormolen, medewerker van Vluchtelingenwerk.

Maar ja, dat is hoe het in Nederland gaat, in de zomer van 2022. De asielketen zit compleet verstopt. De situatie is gepromoveerd tot een nationale crisis, maar daar is hier op deze warme avond in Ter Apel bitter weinig van te merken. Alleen een handvol vrijwilligers en COA-medewerkers lopen rond om deze mensen te helpen. Maar concreet kunnen ze weinig doen voor de pakweg 250 mensen die hier gaan slapen.

We zitten nog even bij Artyom, die gezelschap heeft van de Tadzjiek Muhammad. We kijken naar het tentenkamp, een meter of dertig verderop, hun slaapplek voor vannacht. Het bestaat nu uit vier grote vertrekken. Aan de kant van het aanmeldcentrum staat een dubbel rijtje wasbakken. Aan de zijkant staan zeven wc's. Als je niet beter wist, zou je denken dat je in Libanon zit, bij Calais, of op Lesbos.

Omdat het aanmeldcentrum overvol zit, slapen de asielzoekers buiten de hekken in de openlucht. Beeld EMIEL MUIJDERMAN/ANP
Omdat het aanmeldcentrum overvol zit, slapen de asielzoekers buiten de hekken in de openlucht.Beeld EMIEL MUIJDERMAN/ANP

22.30 uur

De avond valt, de zwoele zomerwind ruist door de hoge, smalle bomen. In de tenten is het donker. Mahmod, een kleine 27-jarige man (een andere Mahmod dan eerder in dit verhaal), geeft ons een rondleiding in een van de ‘Syrische’ tenten – een groot deel van de mensen in Ter Apel komt uit het door oorlog verscheurde land.

“Hier slaap ik,” zegt hij, terwijl hij wijst op een wit laken op de grond. Een deken heeft hij niet, een kussen ook niet. Veel vluchtelingen leggen hun hoofd ’s nachts te rusten op een tas. Wel zo veilig, vertelt een Nigeriaanse man eerder op de avond. “Daar zitten mijn papieren in, mijn geld en mijn telefoon. Als ze die proberen te stelen, ben ik meteen wakker.”

Mahmod windt zich zichtbaar op over de situatie: “Wat zijn wij: dieren?” Hij gaat bij een groep mannen in zijn tent zitten. In hun midden brandt een klein lampje. We raken in gesprek met Ismail en Ziyad. Ze zijn allebei wat ouder, vijftig ongeveer, en wijzen op hun voeten, waarop een paar nare wonden zichtbaar zijn. Ismail heeft amper teennagels meer. Gebeurd op de vlucht, zegt hij. De Syriërs willen medische hulp, maar die krijgen ze niet. Ze hebben geen status, maken nergens aanspraak op.

“Wat je hier nu ziet, dat is precies wat we in Nederland nooit gewild hebben,” zegt Goof van Dormolen. “Als mensen hier in Ter Apel binnenkwamen, gingen ze meteen het hele proces door, en daar hoorde ook een medische check bij. Nu duurt het soms wel een paar weken of een maand voordat ze alle stappen doorlopen. Tussendoor moeten ze telkens weer weg. En dan krijg je dus dit.”

Om maar zoveel mogelijk kans te maken morgenvroeg wél binnen te komen, slaapt een aantal asielzoekers letterlijk voor de ingang. Een wat oudere man heeft zijn koffers tegen het toegangshek gezet, pal naast de tourniquet, en is er bovenop gaan liggen. Een paar meter verderop ligt een man te slapen onder een wit laken, op zijn zij, zijn hoofd op een gele Jumboshopper. Een witte plastic zak dwarrelt over het terrein en landt op zijn gezicht. Hij merkt het niet.

Een bus stopt voor het terrein. Er stapt een plukje mensen uit. Ze komen uit Rotterdam, zegt een Zimbabwaanse man die ook is uitgestapt. Het gebeurt vaker, zegt Van Dormolen, dat gemeenten zomaar mensen naar het noorden sturen, alsof ze nooit een krant hebben gelezen en niet weten dat hier helemaal geen plek is.

Het is een uitzichtloze situatie voor veel asielzoekers in Ter Apel. Beeld EMIEL MUIJDERMAN/ANP
Het is een uitzichtloze situatie voor veel asielzoekers in Ter Apel.Beeld EMIEL MUIJDERMAN/ANP

23.00 uur

We zijn terug bij de familie die zojuist werd weggestuurd bij de poort. Ze komen ergens uit Afrika, veel meer kunnen of willen ze niet kwijt. Een van de vrouwen duwt de wandelwagen voor zich uit, en manoeuvreert de wielen zo heen en weer dat ze niet over de tenen van slapende mensen rijdt. Aan de hand van de andere vrouw wandelt de peuter de tent in. Die ligt helemaal vol vreemde mannen uit vreemde landen, toch moet het jongetje hier slapen.

Het is een heldere nacht. Als je naar boven kijkt zie je de schitterende sterrenhemel. Rechts legt een man zijn gebedskleed neer, in de richting van waar hij Mekka vermoedt. Achter ons vermengt het getjirp van krekels zich met het gesnurk van een asielzoeker die in de open lucht slaapt. In de tent voor ons zijn alleen nog silhouetten zichtbaar. Er klinkt wat geroezemoes, hier en daar licht een telefoonscherm op.

En dan, heel zacht, de stem van een peuter. “Mama?”