PlusAchtergrond

Onderzoek wijst uit: veel vaker dan gedacht belanden kinderen door mishandeling in het ziekenhuis

Onderzoekers namen de dossiers van zwaargewonde kinderen in Nederland onder de loep en schrokken van de uitkomsten. Bij kleuters en nog jongere kinderen was in 41 procent van de gevallen sprake van geweld of verwaarlozing, zoals onoplettendheid.

Malika Sevil
null Beeld Getty Images/iStockphoto
Beeld Getty Images/iStockphoto

Arts-onderzoeker kinderchirurgie Marie-Louise Loos dook samen met een team van experts in de dossiers van ernstig gewonde kinderen die in de periode tussen 2010 en 2015 bij alle elf traumacentra in Nederland waren binnengebracht. Wat blijkt: mishandeling en verwaarlozing worden in ziekenhuizen veel vaker gemist dan werd gedacht. Van de 342 kinderen onder de 5 jaar was in 41 procent van de gevallen sprake van kindermishandeling. Daarvan ging het in 10 procent om fysiek geweld en in 31 procent van de gevallen om verwaarlozing, zoals onoplettendheid of een onveilige omgeving. Over de hele groep kinderen tot 18 jaar gaat het om 11 procent, blijkt nadat 1623 dossiers opnieuw zijn uitgeplozen.

“We zijn geschrokken van de uitkomst,” zegt Loos, die 28 april bij de UvA promoveerde op dit onderzoek. “Een heel groot deel van de ziekenhuisopnames van kinderen is dus mogelijk te voorkomen.” Een indrukwekkende gedachte, zegt Loos, want slachtoffers van kindermishandeling, verbrandingen of bijna-verdrinkingen kunnen daar een leven lang last van hebben – fysiek en mentaal.

Ook Loos’ promotor en bijzonder hoogleraar forensische kinderradiologie, Rick van Rijn, is zich rot geschrokken. Hij zit al twintig jaar in het vak, werkt voor het Landelijk Expertisecentrum Kindermishandeling (LECK), en heeft al veel gezien, maar deze hoge aantallen had ook hij niet verwacht. “Als wij artsen kindermishandeling niet scherper gaan definiëren en registreren, dan zien we de ernst niet. En dan kun je ook niet de juiste maatregelen nemen. Terwijl het juist van belang is dat wij ouders gaan vertellen: laat je jonge kind niet alleen in bad als je de telefoon wil opnemen. Het is in een split second gebeurd.”

Verwaarlozing

In de cijfers valt ook zo’n verdrinking onder kindermishandeling, namelijk onder de noemer ‘verwaarlozing’. Dat klinkt heel zwaar, zeker voor de ouders die het is overkomen, maar in de wet is dat de term die kan staan voor dramatische ongelukken waarbij een ouder even is afgeleid en een peuter in de sloot verdrinkt.

Van Rijn denkt dat veel ouders ‘de kennis en kunde’ van hun kroost enorm overschatten. “Maar het is zo triest als je je kind even uit het oog bent verloren en hij kukelt in de sloot en hij is dood. En dan zeggen ouders: mijn kind van veertien maanden doet dat niet. Echt wel. Mijn kind van veertien maanden heeft destijds ook in een vijver gelegen toen we twee seconden niet hadden opgelet, maar wij hoorden gelukkig een plons.”

De cijfers zijn hard: de (bijna-)verdrinkingen van kinderen zijn vaker wél te voorkomen door een veiliger omgeving of beter toezicht, dan niet. Slechts in 2 procent van de 171 kinderen die (bijna) verdronken zijn, was sprake van overmacht. “Bijvoorbeeld wanneer een tiener door een heel sterke stroming in zee wordt meegesleurd,” zegt Loos.

Bedrijventerrein en boerenerf

Behalve verdrinkingsgevaar sprongen er nog twee situaties uit waarin kinderen gevaar lopen: op een bedrijventerrein of op een boerenerf. Van Rijn: “Want daar kan een kind aangereden worden door een voertuig of geschopt worden door een dier.” En dan zijn er nog fors veel kinderen die uit een raam of van een balustrade van grote hoogte naar beneden zijn gevallen – 76 van de 1623.

In een subonderzoek zoomde Loos in op 175 sterfgevallen tussen 2014 en 2019 van kinderen die in de traumacentra waren opgenomen. Wat bleek: onder de 5 jaar stierf maar liefst 44 procent door kindermishandeling en verwaarlozing. Over de hele groep tot 18 jaar stierf 20 procent door kindermishandeling, waarvan de helft door fysiek geweld en de helft door verwaarlozing. Daarvan is 78 procent door verdrinking overleden. “Dat zijn bijna altijd heel jonge kinderen die heel even alleen zijn gelaten in de buurt van water.”

Het zijn kille, keiharde cijfers die ook Loos niet in de koude kleren gaan zitten. Ze spitte 1623 dossiers door van kinderen die ernstig verwond, verzwakt en verminkt met loeiende sirenes zijn binnengebracht in traumacentra in alle hoeken van het land. “Het raakt, natuurlijk, niet alleen de gevallen van kindermishandeling, maar ook een verkeersongeval waarbij een 13-jarige jongen is omgekomen. Dat je denkt: jemig, dan heb je je kind tot zijn dertiende veilig opgevoed en dan wordt hij aangereden door een vrachtwagen en ben je hem alsnog kwijt. Dat is enorm indrukwekkend. Bij het dossier over een baby die zo ernstig mishandeld is dat ze op de traumakamer terecht is gekomen, denk ik: dan ben je zo klein en zo kwetsbaar en dan heb je dit al moeten meemaken. Dat is afschuwelijk.” Tegelijkertijd haalde ze er ook weer motivatie uit. “Ik dacht voortdurend: Hier kunnen we preventief wél wat aan doen. We kunnen zorgen dat ouders beter geïnformeerd worden over onopgemerkte gevaren zodat er minder kinderen in het ziekenhuis belanden.”

Alarmbellen

De 1623 dossiers werden in drie subgroepen verdeeld: de verwondingen zijn veroorzaakt door een ongeluk, óf fysieke mishandeling óf verwaarlozing – waar onoplettendheid of een onveilige omgeving onder vallen. In geval van twijfel keek een team van medische experts in kindermishandeling mee. In een enkel geval sprong Veilig Thuis bij om mee te denken.

Maar hoe kun je nou, jaren na dato, nog beoordelen of er sprake is van kindermishandeling? Door te kijken naar de aard van de verwondingen, zegt Loos. Of er meerdere breuken, blauwe plekken of kneuzingen zijn. Bij sommige aandoeningen, zo stelt Loos, moeten alarmbellen afgaan. “Gebroken ribben zijn verdacht, een gescheurde lever is een letsel waarbij je zou moeten opletten, brandwonden, vooral diepe brandwonden, of brandwonden op de rug en veroorzaakt door heet kraanwater, geven een hoge verdenking op fysieke mishandeling of verwaarlozing.” Ook de leeftijd van het kind kan een rood sein geven.

KInderchirurg Roel Bakx: 'Het moet gewoon worden in ons vak om over kindermishandeling te praten.' Beeld Getty Images/iStockphoto
KInderchirurg Roel Bakx: 'Het moet gewoon worden in ons vak om over kindermishandeling te praten.'Beeld Getty Images/iStockphoto

Ruwe, kille informatie

“Een baby van twee maanden breekt zelf geen been,” zegt Van Rijn ter illustratie. “Dat is de ruwe, kille informatie uit de wetenschap.” En inderdaad, een ander wetenschappelijk onderzoek laat een groot verschil zien: bij beenbreuken bij kinderen jonger dan twaalf maanden is in 20 procent van de gevallen sprake van fysiek geweld, terwijl dat bij kinderen boven de 2 jaar wordt geschat op 1 procent. Ook bij reanimaties van kinderen moet je ook op je qui-vive zijn, zegt Loos. “Bij elf kinderen die met een hart- of ademstilstand naar het ziekenhuis zijn gebracht, bleek bij nader onderzoek dat de oorzaak kindermishandeling was. Maar dat wisten de artsen bij binnenkomst niet.”

Maar hoe kan het nu zo zijn dat fysieke mishandeling en verwaarlozing ondanks al die slimme koppen in het ziekenhuis worden gemist? Co-promotor en kinderchirurg Roel Bakx, tevens gespecialiseerd in kindermishandeling, heeft daar wel een verklaring voor: haast en ongemak. Ga er maar aanstaan. Vraag maar eens aan de rouwende ouders hoe het kan dat hun peuter in de vijver is gelopen? “Er komen ontzettend veel emoties bij kijken. Bovendien zijn kinderen maar een uur, hooguit anderhalf uur op zo’n traumakamer en gaan dan naar de ic of naar de operatiekamer voor een vervolgbehandeling. In dat uur is iedereen druk bezig om het leven van het kind te redden. Dan heeft dit gesprek geen prioriteit.”

Toch vindt hij dat dit geen excuus mag zijn. Een gesprek over een mogelijk kwaadaardig knobbeltje in de borst genereert ook een emotioneel gesprek, maar dat doen artsen ook. Bakx: “Het moet gewoon worden in ons vak om over kindermishandeling te praten, net als dat gesprek over dat knobbeltje. Niet dat eerste uur, maar wel zodra het kan.”

Ouders niet criminaliseren

Overigens, en dat benaderen de drie artsen met klem, is het absoluut niet de bedoeling om ouders te criminaliseren. Dat verwijt krijgen ze nog weleens van collega’s, omdat ze poeren in de dossiers en aandringen op meer registratie. “Er is niemand met een gezond stel hersenen, zonder psychiatrische ziektes of heel veel shit in zijn leven, die ’s ochtends opstaat en denkt: goh ik ga vandaag mijn kind maar eens mishandelen,” zegt Van Rijn.

Maar in de bewustwording bij artsen valt écht winst te boeken, zegt Loos. “Een maand geleden hadden we een kindje op de spoedeisende hulp dat overreden was door haar eigen vader. De vader had bij het inparkeren zijn eigen kind niet gezien - absoluut vreselijk. Ik vroeg mijn collega: hoe kan dat gebeuren? Het eerste wat ik terugkreeg, was: ‘Ja, maar dat doet hij niet expres’.”

Daar gaat het niet om, zegt Loos. “Ik vraag het niet om iemand te beschuldigen, maar wel om te kijken: hoe kunnen we voorkomen dat het nog eens gebeurt?”

Volgens traumachirurg Carel Goslings, tevens hoogleraar bij de UvA, maar niet betrokken bij dit onderzoek, heeft het onderzoek hem weer ‘wakker geschud’. “Wij zijn er in het ziekenhuis al heel alert op en werken met een Signalering Kindveiligheid. Bijvoorbeeld: als er op de eerste hulp een kind binnenkomt met een bovenbeenbreuk, dan kijk je altijd: past dit letsel bij de leeftijd, hoe is de interactie tussen ouder en kind en is het een logisch verhaal? Zo niet, dan schakelen we direct een gespecialiseerd intern team of een kinderarts in, die gaan kijken of er iets aan de hand is. Dus er is wel bewustzijn, maar blijkbaar moeten we nóg alerter zijn.”

Artsen zijn vaak vooringenomen

Artsen laten zich in grote mate beïnvloeden door vooringenomenheid bij het beoordelen van een verwonding op kindermishandeling. In een studie van Amsterdam UMC kreeg een heel scala aan specialisten röntgenfoto’s van een beenbreuk te zien. De helft van de foto’s werd verstuurd met de kale feiten, de andere helft met een verhaal met risicofactoren voor kindermishandeling: zoals bijvoorbeeld een grote familie, gescheiden ouders en financiële problemen. Wat bleek: de foto’s mét een treurig verhaal kregen veel vaker het predicaat ‘verdacht voor kindermishandeling’, dan de foto’s met minimale begeleidende tekst. SEH-artsen lieten zich het vaakst om de tuin leiden, radiologen het minst vaak.

Volgens kinderchirurg Roel Bakx, betrokken bij het onderzoek, werkt het ook de andere kant op. “Dat als je een familie uit het Gooi krijgt en denkt: die zijn hoog opgeleid, verdienen een goede boterham, die zullen het wel niet doen. Dat is net zo’n grote onzin. Om je niet te laten beïnvloeden is ontzettend moeilijk.”

Bij het Landelijke Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) geven ze de radioloog die bijvoorbeeld een röntgenfoto moet beoordelen om die reden alleen relevante informatie.

Meer over