Nieuws

Meer studenten, meer studieschuld: totaal loopt op tot 24,4 miljard

Doordat in 2020 meer mensen gingen studeren, is het aantal studenten met een studieschuld opgelopen tot 1,6 miljoen. De totale studieschuld liep daarmee met 7 procent op tot 24,4 miljard euro. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Het Parool
Studenten staken op het Malieveld uit protest tegen het leenstelsel Beeld ANP
Studenten staken op het Malieveld uit protest tegen het leenstelselBeeld ANP

Mede omdat de centrale eindexamens in coronajaar 2020 werden geschrapt, lag het slagingspercentage in dat jaar aanzienlijk hoger dan in de jaren daarvoor. Ook was het aantal jongeren dat een tussenjaar nam lager door de pandemie.

Aan het begin van 2021 hadden 1,6 miljoen studenten of oud-studenten een studieschuld, blijkt uit de cijfers van het CBS. Dat zijn er zo’n honderdduizend meer dan in het jaar ervoor. De totale studieschuld steeg met 7 procent tot 24,4 miljard.

In de leeftijdscategorie 25 tot 30 jaar is de gemiddelde studieschuld het hoogst. Deze steeg in 2020 met 5 procent naar 19.100 euro. De gemiddelde hoogte van een studieschuld is met 15.200 euro overigens gelijk gebleven, waar deze de afgelopen jaren een stijgende lijn liet zien.

Leenstelsel

Voor jongeren tot 20 jaar daalde de gemiddelde studieschuld met 30 procent tot 2600 euro. Hun studieschuld is lager omdat zij bijna allemaal nog studeren en hun schuld dus nog in opbouw is. Vanwege de coronacrisis nam de overheid ook maatregelen om studenten te helpen bij de bekostiging van hun studie, zoals bijvoorbeeld een korting op les- en collegegelden. Voor de categorie 20- tot 25-jarigen bleef de gemiddelde schuld met 12.800 euro nagenoeg gelijk.

De gezamenlijke studieschuld loopt sinds de afschaffing van de basisbeurs in 2015 fors op en is inmiddels verdubbeld ten opzichte van toen. Het leenstelsel, dat daarvoor in de plaats kwam, ligt eigenlijk vanaf het moment van invoering al onder vuur. In september werd een motie om het leenstelsel weer af te schaffen met een ruime meerderheid aangenomen in de Tweede Kamer.

Meer over