Kabinet erkent alsnog institutioneel racisme bij fiscus: ‘Onacceptabel, uiterst pijnlijk’

Het hoge woord is er uit: bij de Belastingdienst was sprake van institutioneel racisme, zo vindt staatssecretaris Marnix van Rij. Eerder wilde het kabinet er niet aan die term te gebruiken. Maar dat gebeurt nu alsnog, gepaard met de woorden dat dit ‘onacceptabel’ en ‘uiterst pijnlijk’ is.

Tobias den Hartog
 Staatssecretaris Marnix van Rij  Beeld ANP
Staatssecretaris Marnix van RijBeeld ANP

Alles draait om de zogenoemde ‘zwarte lijsten’ die de fiscus hanteerde bij het opsporen van fraude. Daarbij werd onderscheid gemaakt op nationaliteit (bijvoorbeeld Bulgaars), bevolkingsgroep (zoals Antilliaans) en soms op uiterlijk. Mensen met een niet-Westers voorkomen werden strenger beoordeeld, zo bleek. In e-mails was bijvoorbeeld te lezen: ‘Weer een frauderende asielzoeker’. Dat kon niet door de beugel, zo oordeelde de Autoriteit Persoonsgegevens.

Toch worstelde het kabinet lang met hoe dit nou genoemd moest worden. Discriminatie, racisme of institutioneel racisme? Letterlijk aan de hand van het woordenboek en uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens puzzelde staatssecretaris Marnix van Rij op welke term nu precies van toepassing was.

Eerder wilde het kabinet niet aan de term institutioneel racisme, omdat dit zou uitdrukken dat willens en wetens protocollen zo waren opgesteld dat het doel was mensen te discrimineren. Racisme, zo zei hij eerder, zou een ideologie zijn, iets anders dan een foute werkwijze. En bovendien is discriminatie bij wet verboden, racisme en institutioneel racisme zijn ‘juridisch’ niet ‘afgebakend’, zegt Van Rij.

Van Rij schrijft nu in een brief aan de Tweede Kamer dat toch ‘sprake is geweest van institutioneel racisme’. Ook als racisme niet ‘georganiseerd’ of ‘geïnstitutionaliseerd’ plaatsvond of, kan toch sprake zijn van institutioneel racisme, zegt hij nu. ‘Het gaat ook minder om opzet of intentie, maar meer om gedragingen die voortkomen uit onbewuste vooroordelen en onwetendheid.’ In een toelichting zegt hij: “Het is zonder kwader trouw geweldig uit de hand gelopen. Er was geen beleid, geen dubbelchecks.”

Zo haalt Van Rij aan dat giften aan moskeeën onder het vergrootglas lagen, zonder dat dit goed onderbouwd was. Hij noemt het ‘onacceptabel’ en ‘uiterst pijnlijk’. “Van institutioneel racisme kan en mag geen sprake zijn in onze samenleving.”

Hij merkt op dat ‘ook wanneer het niet de bedoeling is geweest’ groepen harder aan te pakken er toch is gediscrimineerd op basis van ‘hun afkomst of andere kenmerken zoals nationaliteit, leeftijd en geslacht’. Van Rij: “Ook al is er geen sprake van een ideologie die mensen indeelt in rassen, dat maakt de aangetroffen voorbeelden niet minder pijnlijk.”

Onderscheid mag

Van Rij schrijft overigens wel dat de Belastingdienst als geheel niet schuldig is, maar hij legt de bal bij de afdeling Toeslagen. Daar is overigens niemand ontslagen.

De staatssecretaris merkt bovendien op dat ‘risicoselectie’ (lees: fraudeopsporing door mensen te selecteren) wel ‘nodig’ blijft. Dat iemand een dubbele nationaliteit heeft, kan zo’n criteria zijn, vindt Van Rij.

Hij waarschuwt dat diensten die dit moeten doen dus soms wel ‘onderscheid’ moeten maken, maar dat zij dus bewust moeten zijn van ‘het risico van discriminatie’. “Maar ik wil niet dat de hele Belastingdienst in een kramp schiet.” Fraudeopsporing moet mogelijk blijven. “Niet elk onderscheid is discriminerend, wanneer er een rechtvaardigheidsgrond voor is.” Hij kondigt wel aan dat er verscherpt toezicht komt en dat medewerkers trainen krijgen om nieuwe ongelukken te voorkomen.

Er is nog onderzoek gaande naar wat de ‘daadwerkelijk gevolgen’ zijn geweest van de 270.000 mensen die op de lijsten stonden. Vermoedelijk hebben veel mensen er niet veel van gemerkt, stelt Van Rij, maar hadden vijf tot vijftienduizend mensen echt hinder. Zij kunnen een ‘tegemoetkoming’ verwachten. Dat het schadeclaims gaat regenen, verwacht hij niet. Ook omdat institutioneel racisme geen ‘juridisch begrip’ is.