PlusReportage

In Potočari kijkt Ollongren de geschiedenis recht in de ogen

Nederland heeft voor het eerst bij de Srebrenica-herdenking ‘diepste excuses’ gemaakt. Minister Ollongren reisde ervoor naar Bosnië. ‘Een zwaar moment.’

Hanneke Keultjes
Kajsa Ollongren bezoekt Srebrenica. Het was op dinsdag precies 27 jaar geleden dat de enclave werd ingenomen door Bosnisch-Servische troepen. Beeld Ministerie van Defensie
Kajsa Ollongren bezoekt Srebrenica. Het was op dinsdag precies 27 jaar geleden dat de enclave werd ingenomen door Bosnisch-Servische troepen.Beeld Ministerie van Defensie

Op 11 juli 1995 is Azir Osmanović 13 jaar oud. Bij de enclave Srebrenica, die in de oorlog in voormalig Joegoslavië onder bescherming stond van het Nederlandse Dutchbat III, wordt zijn familie – zoals zoveel gezinnen die dag – opgesplitst.

Hij, zijn moeder, broertje en zusje blijven in het dal achter. Zijn vader en broer (16) slaan op de vlucht, de bosrijke bergen in, weg van de Bosnisch Servische troepen. Zijn vader verschanst zich twee lange maanden in de bossen en overleeft de genocide. Maar aan het begin van hun vlucht is hij zijn oudste zoon kwijtgeraakt in een hinderlaag. Die overleeft het niet.

Pas vorig jaar liet Osmanović zijn broer begraven op de begraafplaats in Potočari waar iets meer dan 6600 van de ruim 8000 vermoorde Bosnische moslimjongens- en mannen hun laatste rustplaats vonden. “Alleen zijn schedel is teruggevonden.” Osmanović moet ook zijn broertje missen. Hij pleegde drie jaar na de genocide zelfmoord. “Hij was pas 11 jaar.”

Grotten

Osmanović is nu curator van het Srebrenica-Potočari Memorial Center. In de hal van een oude accufabriek die in 1995 dienst deed als hoofdkwartier van Dutchbat laat een tentoonstelling zien wat zijn vader en broer doormaakten in de bergen. Tientallen schoenen waarop de Bosnische moslims vluchtten – half-vergane gympen, schoenen zonder veters – grotten waarin werd geslapen en potten waarin bij gebrek aan ander voedsel dan maar slakken werden gekookt.

Minister Kajsa Ollongren (Defensie, D66) luistert naar de rondleiding die Osmanović geeft, schudt handen van Enver (20 jaar ten tijde van de val van Srebrenica) en Almir (toen nog maar een peutervan 1) die ook hun toevlucht zochten in de bergen en hun leed meetorsen. Leed dat elk jaar rond 11 juli nét wat zwaarder voelt als de rest van het jaar.

“Niemand kan zich voorstellen wat zij hebben doorgemaakt,” zegt Ollongren ‘s avonds bij een Bosnisch diner van worstjes, kip, schapenvlees en grote schalen gegrilde groente. “Maar als moeder, als mens, weet je: dit is onnoemelijk leed.”

Dossier Srebrenica

Toen Ollongren begin dit jaar in het nieuwe kabinet Binnenlandse Zaken voor Defensie verruilde, wist ze ook dat ze het dossier Srebrenica op haar bureau zou aantreffen. In 1995 was ze jonge ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken. Ze herinnert zich de krantenartikelen en de indringende beelden in het Journaal. “Ik weet nog dat ik dacht: oorlog in Europa, dat was na de Koude Oorlog toch niet meer mogelijk?” Een gedachte die zich opnieuw aan haar opdrong, zegt ze, nadat Rusland Oekraïne eind februari van dit jaar binnenviel.

“Toen schoten we bij Defensie meteen in de can-do-houding: wapens leveren.” Maar bij het dossier-Srebrenica zit dat anders: “Er zit een heleboel historie.” En bovendien: een oplossing of maatregel ís er niet. Of zoals Ollongren het uitdrukt in haar toespraak bij de herdenking: “We kunnen dit leed niet van u wegnemen.”

In 2020, bij de 25ste herdenking, kwam er meer aandacht voor Dutchbat. Na de indrukwekkende documentaire De machteloze missie van Dutchbat adviseerde een speciale commissie een halfjaar later dat het kabinet erkenning en waardering moest uitspreken naar de Dutchbatters. Door corona liep dat gebaar nog eens twee jaar vertraging op. Pas vorige maand kregen de veteranen van Dutchbat III excuses en eerherstel in de vorm van een onderscheiding.

Falen van de gemeenschap

En maandag, 27 jaar na de val van de enclave, volgen er ‘diepste excuses’ aan de nabestaanden en de overlevenden van de genocide. Niet voor de rol van Dutchbat, maar voor het falen van de internationale gemeenschap, waar Nederland deel van uitmaakt. “De Nederlandse regering,” zegt Ollongren, “deelt in de verantwoordelijkheid voor de situatie waarin dit kon gebeuren.”

Toen zij 18 juni Dutchbatters toesprak in Schaarsbergen zei ze al dat ze zélf naar Potočari wilde, om ‘namens de Nederlandse regering de geschiedenis recht in de ogen te kijken’. Want juist daar – waar talloze witte zuilen de graven markeren – stuitte het gebaar van de Nederlandse regering richting Dutchbat op onbegrip.

In het deel van het Memorial Center waar voor Ollongren geen rondleiding is gepland, wordt duidelijk waarom. Daar staat het falen van de internationale gemeenschap centraal en zijn teksten te lezen als ‘Dutchbat loste geen enkel schot’. Dutchbat vuurde wel, bleek uit NIOD-onderzoek, en ook een Nederlandse F-16-vlieger gooide bommen op de Servische troepen. Ollongren werd zelf, zegt ze, door niemand aangesproken op de excuses aan Dutchbat. “Maar wel op het uitblijven van excuses híér.”

Of de volgorde – eerst excuses aan de nabestaanden en overlevenden, daarna excuses aan Dutchbat – anders had gemoeten, zegt ze niet. Maar ze snapt de gevoeligheid wel. “18 juni en 11 juli liggen wel erg dicht bij elkaar.” Misschien wel té dicht. De excuses aan Dutchbat hadden vorig jaar al gemaakt kunnen worden, als de coronapandemie niet weer was opgelaaid. “Daarom heb ik gezegd: dan wil ik óók naar Potočari.” Al is het, zegt ze, ‘een zwaar moment’ om hier te spreken. “Maar zó belangrijk.”

Verloren

Dat Ollongrens aanwezigheid wordt gewaardeerd, blijkt zondag al als Murica Subasić de minister direct bij de eerste ontmoeting omhelst. Subasić is voorzitter van de ‘Moeders van Srebrenica’ en misschien wel de bekendste van de moeders die hun man en zoon(s) hebben verloren. Ollongren sprak Subasić al eerder via een videoverbinding. “Er is over en weer respect.” Als Ollongren de fabriekshal in Potočari verlaat, werpt Subasić haar een kushandje toe.

Meer over