Plus

Excuses van De Nederlandsche Bank voor rol in slavernijverleden is ‘een optie’

Bestuurders van De Nederlandsche Bank waren in de negentiende eeuw nauw betrokken bij de instandhouding van slavenhandel en slavernij. Nieuw onderzoek werpt licht op een tot nog toe onbesproken verleden.

Patrick Meershoek
De Nederlandsche Bank aan het Frederiksplein. De bank werd in 1814 opgericht door koning Willem I om de Nederlandse staat te moderniseren. Beeld ANP / Kim van Dam
De Nederlandsche Bank aan het Frederiksplein. De bank werd in 1814 opgericht door koning Willem I om de Nederlandse staat te moderniseren.Beeld ANP / Kim van Dam

In de vijfdelige Geschiedenis van De Nederlandsche Bank die in 1967 is verschenen, wordt met geen woord gerept over enige betrokkenheid bij slavenhandel en slavernij. “Het is een onbesproken deel van onze geschiedenis,” stelde bankpresident Klaas Knot vast bij de presentatie van een onderzoeksrapport naar het slavernijverleden van de instelling. De resultaten hadden hem diep geraakt. “Onze bestuurders hadden meer oog voor hun eigenbelang dan voor het onbeschrijflijke leed van de tot slaaf gemaakten op de plantages. Dat betreur ik zeer.”

Het rapport Dienstbaar aan de keten? is de weerslag van een diepgravend onderzoek naar de leiding van de bank in de negentiende eeuw én naar de zakelijke belangen van de eerste investeerders, voornamelijk afkomstig uit de Amsterdamse financiële elite. Onderzoeker Karwan Fatah-Black sprak van een ‘gelaagd beeld’, waarbij de bestuurders van de jonge bank met name via hun privébezit nauw verweven waren met de plantages in de koloniën en ook hun invloed aanwendden om de afschaffing van de slavernij tegen te houden of te vertragen.

Geld van plantages

De Nederlandsche Bank werd in 1814 opgericht door koning Willem I om de Nederlandse staat te moderniseren na de jaren onder Franse heerschappij. Investeerders keken met grote argwaan naar de financiële instelling, en het was uiteindelijk een groep Amsterdamse financiers, reders en handelaren die de helpende hand toestak. Van de zestien investeerders, ontdekten de onderzoekers, hadden er vijf geen betrokkenheid bij slavenhandel en slavernij. Johanna Borski kocht haar 40 procent van de aandelen met kapitaal dat deels was verdiend op Surinaamse plantages.

Hoewel DNB geen vestigingen had in de koloniën, regelde de instelling wel het betalingsverkeer voor het ministerie van Koloniën. Als financier van particuliere ondernemingen maakte de bank geen onderscheid tussen goederen die wel of niet in slavernij werden geproduceerd. Daar was tot de afschaffing van de slavernij in 1863 ook geen juridische basis voor, voegen de onderzoekers hieraan toe. Goederen als suiker, koffie, cacao en katoen werden aanvaard als onderpand voor leningen, samen goed voor bijna 30 procent van alle beleende goederen bij de bank.

Zilveren brandmerk

Indirect was DNB op allerlei manieren betrokken bij slavenhandel en slavernij. Bestuurders als Jan Hodshon, Johannes Carp en Jacobus Insinger waren ook betrokken bij handelshuizen die actief waren in de slavernij-economie in het Caribisch gebied. Fatah-Black: “Dat klinkt misschien wat afstandelijk, maar we kwamen in de archieven ook een inventaris tegen van de plantage van Hodshon. Daarin is onder meer een zilveren brandmerk opgenomen waarmee niet alleen de balen katoen werden gebrandmerkt, maar ook de tot slaaf gemaakten vanaf 12 jaar.”

Het onderzoek maakte ook duidelijk dat de bestuurders van DNB privé op allerlei manieren invloed probeerden uit te oefenen op de wetgeving over de afschaffing van de slavernij. De slavenhandel was in 1814 bij decreet door Willem I verboden. In 1833 was Engeland overgegaan op een verbod op de slavernij. Dat die wet in Nederland nog dertig jaar op zich liet wachten, was mede het gevolg van een actieve lobby van DNB-bestuurders die aanstuurden op een goede compensatie van de plantage-eigenaren.

Gebaar van waarde

Gelaagd beeld of niet: president Knot sprak van een ‘lelijk deel’ van de bankgeschiedenis. Het openbaren van die zwarte bladzijden beschouwt hij als een eerste stap. DNB wil het gesprek aangaan met organisaties van nazaten. Dat gebeurt onder leiding van oud-wethouder Freek Ossel, die ook betrokken is bij de voorbereidingen voor het nationaal slavernijmuseum. Onderdeel van die gesprekken is een ‘gebaar van blijvende waarde’ dat de bank wil maken. Excuses voor de rol van de bank zijn een optie, aldus Knot.

Klaas Knot, president van De Nederlandsche Bank. Beeld ANP /  ANP
Klaas Knot, president van De Nederlandsche Bank.Beeld ANP / ANP