PlusBeeldspraak

Woningnood? In het Rome van de jaren vijftig was het nog veel erger, zien we in Il tetto

Wie in de stad wil wonen moet daar een hoge prijs voor betalen. Of een creatieve oplossing bedenken, zoals een Romeinse bouwvakker in Il tetto.

Bart van der Put
Wie snel bouwt zal wonen, in Il tetto van Vittorio De Sica. Beeld Imageselect/ DE SICA PRODUZIONE / Album
Wie snel bouwt zal wonen, in Il tetto van Vittorio De Sica.Beeld Imageselect/ DE SICA PRODUZIONE / Album

Knal! Bam! Beuk! Boem! Het zal toch niet weer raak zijn? Als binnenstadsbewoner leer je met kabaal te leven, maar er zijn ergernissen die onoverkomelijk worden. Verbouwingen zijn alleen te verdragen indien er een einde aan komt en ze een zinvol doel dienen. Het gist en gonst al enige tijd rond de binnentuin naast mijn slaapkamer. De deels bebouwde tuin fungeert als een versterkende klankkast en heeft een verzetsgroep bijeengebracht. De maat is vol: het houdt maar niet op met de verbouwingen. En het gaat alleen maar om de poen.

Met de sociale verruimingen van een endemie in het vooruitzicht wordt er weer volop getimmerd en gezaagd in de panden waar al jaren geen permanente bewoning meer is geweest. In een coronavrije zomer zullen de vernieuwde dakterrassen en verstevigde balkons weer nachtenlang vol staan met joelende mensen op doorreis. Zij zullen een geweldige tijd in Amsterdam hebben. De vastgoedeigenaren kunnen ook juichen: terwijl de waarde van hun schaarse bezit stijgt valt er nu al wat aan te verdienen. Win-Win!

Zo gaat het kabaal van de timmerlieden vanzelf over in het tumult van toeristen en andere tijdelijke huurders. Die hebben dit jaar meer plezier dan ooit dankzij de flitskoeriers: elk huis heeft nu een ober. We kunnen ons opmaken voor een luidruchtige zomer.

Maar ik mag eigenlijk niet klagen. Niet meer.

Een kamer zonder ramen

Amsterdam, medio 1984. Na acht maanden studentenhuisvesting in twee deprimerende woonkazernes verliet ik de kunstacademie voor een leven als nachtdier. Daar paste een kamer zonder ramen bij. Paradiso en de Melkweg bevonden zich op kruipafstand en de huisgenoten hadden geen bezwaar tegen mijn ritme. Het oude winkelpand in De Pijp was door twee gasbetonnen muurtjes in drie ruimtes verdeeld. Het was zeer gehorig: in het eerste jaar kreeg ik een bloedhekel aan Janis Joplin. De muizen en de rat kwamen later.

Op aandringen van vrienden die wel aan een toekomst dachten schreef ik me in voor een sociale huurwoning. Wachttijd: acht jaar of langer. In 1993 betrok ik mijn eerste etagewoning. Er werd niet vermeld dat de onderste verdieping de geestelijke gezondheidszorg diende. Mijn eerste onderbuurman klopte op de deur en zei: ‘Ik ga je vermoorden.’ Hij kocht een hakbijl waarmee hij ‘kelderdemonen’ en mijn telefoonlijn doorkliefde. Op een heuglijke dag was hij na een explosie van rondvliegend huisraad op slag verdwenen. De volgende patiënt was een dwangmatige stadsjutter die in zijn puintuin een haan hield. Kukeluku!

Er kwam licht in zicht: het pand werd tot krot verklaard. Er lag stadsvernieuwingsurgentie in het verschiet. Voor ik de hoofdprijs won kreeg ik eerst nog vloerverwarming in de vorm van een forse wietplantage. Dat kwam goed uit bij vorst maar niet bij kortsluiting. Na dertien slopende jaren in het sociale huurkrot kwam de verlossing. Ik kreeg uitzicht op een gracht, inspraak bij de renovatie, een betaalbare huur en buren die zich ook gelukkig prijzen.

Ik woon zoals ik het als kind al wenste. Het had heel wat voeten in aarde. Maar ik mag niet klagen.

Van de studio naar de straat

Voor Luisa en Natale Pilon is het pas echt afzien. In Il tetto (Het dak) schetst de Italiaanse regisseur Vittorio De Sica de beproevingen van de jonggehuwden die in het Rome van de jaren vijftig geen eigen onderkomen kunnen vinden. De Sica en scenarioschrijver Cesare Zavattini hadden een scherp oog voor het harde leven van de Italiaanse onderklasse. Ze maakten naam in het neorealisme, een invloedrijke stroming die het filmmaken van de studio naar de straat verplaatste en het onderscheid tussen acteurs en amateurs ophief. De Sica en Zavattini wonnen Oscars voor Sciuscià (De schoenpoetsertjes) en Ladri di biciclette (De fietsendieven). In hun laatste neorealistische film zetten ze de naoorlogse wooncrisis af tegen de enorme bouwwoede rond Rome.

In Il tetto (1956) werkt kostwinner Natale als leerling-bouwvakker aan de constructie van appartementencomplexen die hij zelf nooit zal kunnen bewonen. Dat wordt niet hardop uitgesproken en dat is ook niet nodig: die schrijnende tegenstelling is van alle tijden. Voor de zwangere Luisa en Natale zit er niets anders op dan op een braakliggend terrein naast de spoorrails in één nacht een eenkamerwoning te metselen. Dankzij een maas in de wet kunnen ze er blijven indien er voor zonsopkomst een dak op zit. Kukeluku!

De Sica en Zavattini gunnen het koppel een happy end. Maar je kijkt ernaar in je gerenoveerde onderkomen en denkt: wat een ellende. Vier gammele muurtjes en een lekkend dak. Geen water, stroom of verwarming en een baby op komst. Pal langs het spoor naar Rome.

Ik mag niet klagen. Echt niet.

Meer over