PlusAchtergrond

Wat we kunnen leren van de babbelpodcast – en hoe die kletsende BN’ers onze gesprekken saaier maken

null Beeld Vincent Spiering
Beeld Vincent Spiering

In babbelpodcasts – twee kletsende BN’ers rond een microfoon – zijn de gesprekken snel en gevat. Verslavend luistervoer, maar het vervormt ook het beeld van hoe een conversatie in het echte leven gevoerd wordt, merkte Paroolredacteur Roelf Jan Duin.

Roelf Jan Duin

‘Hoe was jouw week?’ ‘Heb jij nog iets op tv gezien?’ ‘Waar heb jij je afgelopen week aan geërgerd?’ In het dagelijks leven zullen dit soort vragen niet snel tot een interessant gesprek leiden: ze zijn weliswaar open, maar zo algemeen dat je gesprekspartner zich er al snel door overvallen zal voelen. ‘Mijn week was prima, niks bijzonders’ ‘Of ik iets op tv heb gezien? Nee, had dat gemoeten?’ Het gesprek zal doodslaan voor het goed en wel begonnen is.

In de podcastwereld zijn het echter voorzetten die steevast worden ingekopt. Een verhaal over wat er bij het versschap in de supermarkt gebeurde, een tirade over luidruchtige kinderen in de trein, een smeuïge anekdote over een ongemakkelijke situatie op de werkvloer – een beetje podcaster is net een levende jukebox: je gooit er een muntje in en er komt een geestig verhaal uit. Ze weten hoe ze moeten ‘leveren’, hoe ze een verhaal moeten opdissen, de vaart erin houden, naar de clou toewerken, en dat allemaal ogenschijnlijk uit de losse pols.

Ook ik ben fervent luisteraar van wat ik maar even ‘babbelpodcasts’ noem, een genre binnen het genre. Het woord podcast is een containerbegrip, waarmee alles bedoeld kan worden: van radiofragmenten en hoorspelen tot onderzoeksjournalistiek en, inderdaad, alledaags gekeuvel. En van die laatste soort ben ik niet de enige fan, blijkt uit de lijstjes van de best beluisterde podcasts. Samen met nieuws en misdaad is de categorie ‘twee BN’ers rond een microfoon’ favoriet onder luisteraars. De drempel om in te stappen is laag, de entertainmentwaarde hoog. Het heeft doorgaans weinig om het lijf, maar is vaak net boeiend genoeg om die dode momenten te vullen, zonder dat je er al te veel concentratie voor hoeft op te brengen.

Nog meer geklets

Waarom verdoe ik zoveel van mijn kostbare tijd aan luisteren naar oeverloos gekwebbel? Er zijn genoeg alternatieven die een fietstocht of hardlooprondje veraangenamen. Je kunt luisteren naar muziek, je kunt een podcast opzetten waar je daadwerkelijk iets van opsteekt of je kunt, radicaal idee, gewoon genieten van de stilte in plaats van elk vrij moment vol te plamuren met geklets van mensen met wie je eigenlijk niets te schaften hebt. Want ben ik nu werkelijk geïnteresseerd in de huishoudelijke beslommeringen van het echtpaar Gijs Groenteman/Aaf Brandt Corstius? Hoe lang blijven de stemmetjes van Marcel van Roosmalen leuk? Hoeveel Sander Schimmelpenninck kan een mens verdragen?

Toch blijf ik luisteren. Sterker nog, ik beluister babbelpodcasts op anderhalve keer de normale snelheid, een feature die de meeste podcastapps hebben en die mij in staat stelt een podcast die een uur duurt er in veertig minuten doorheen te jassen – waardoor er dus tijd vrijkomt om nog meer geklets tot mij te nemen.

Dit is ongetwijfeld een gevolg van de ‘aandachtscrisis’ waar schrijver Johann Hari onlangs het boek De aandacht verloren over schreef. Hij interviewde ruim tweehonderd ‘aandachtsexperts’ en concludeerde dat onze behoefte om onszelf permanent te voeden met nieuwe informatie ervoor zorgt dat we ons nauwelijks meer kunnen concentreren. Een Amerikaanse kantoormedewerker zou zich gemiddeld nog maar drie minuten lang op één ding kunnen richten, de gemiddelde tiener kan net iets langer dan één minuut zijn aandacht ergens bijhouden. We zijn permanent op zoek naar nieuwe impulsen, die we razendsnel tot ons nemen.

15 uur per week

Onlangs berekende ik hoeveel tijd ik per week besteed aan zuivere podcasttijd. Ik kwam uit op zo’n vijftien uur. Waarschijnlijk verschilt dit niet eens zo heel veel van het aantal uren dat ik zelf conversaties voer (beleefdheidsgesprekjes bij de bakker daargelaten). En toen drong zich de ongemakkelijke vraag op: hoe verhouden de gesprekken die ik in het echte leven voer zich tot de podcastgesprekken waarbij ik passief meeluister? Zijn de een-tweetjes die ik met mijn vriendin heb even gevat als die van Teun en Gijs? Zijn mijn observaties even scherp als die van Marc-Marie Huijbregts? Lachen ik en mijn vrienden even vaak en uitbundig als Bas, Chris en Domien in Man man man, de podcast?

Het antwoord is uiteraard nee. En daar zit hem ook de valkuil van het bingeluisteren van babbelpodcasts: na verloop van tijd vervormen ze je beeld van wat een normaal gesprek is. De gesprekken die ik voer, verlopen nooit zo soepel als die van de twee podcasters die iedere keer dat ze boodschappen doen wel een geestige anekdote in hun winkelmandje lijken mee te nemen. Vergeleken bij de vloeiende vaart waarin podcasters hun huiselijk leed, hun met zelfspot overgoten vakantieavonturen en pijnlijke tandartservaringen aan elkaar opdissen, zijn mijn gesprekken ronduit saai en stroef.

Wat Instagram deed voor het uiterlijke ideaalbeeld en Twitter voor het opiniecircuit, doen de babbelpodcasts voor de conversatie: ze geven een vertekend beeld. Het zijn conversaties on steroids, gevoerd door mensen met een exceptioneel talent voor kletsen. Want dat is de voornaamste reden dat babbelpodcasts succesvol zijn: er wordt op zeer hoog niveau in gebabbeld.

Ouwehoeren is een skill

Geen onbelangrijk detail: de losse gesprekjes die podcasters met elkaar voeren, zijn minder spontaan dan ze doen voorkomen. De meeste, goede podcasts werken met een script, de verhalen zijn vooraf doorgenomen. En mocht een anekdote er net niet lekker uitkomen, dan kan er achteraf altijd in worden geknipt, of kan hij opnieuw worden opgenomen. Stéphanie Hoogenberk, die samen met Janneke van der Horst De shitshow maakt, legde vorig jaar in de Volkskrant uit hoe ze al doende leerden. Aanvankelijk probeerden ze elkaar te verrassen met spontane verhalen, ‘maar als de ander iets had verteld, stonden we met onze mond vol tanden. Nu hebben we een gezamenlijk documentje, waar we globaal in zetten wat we voor onze ergernis- en ‘shit van de week’-rubrieken hebben bedacht.’

Een andere reden die verklaart waarom gesprekken in babbelpodcasts vaak leuker zijn dan die je zelf voert: goed kunnen ouwehoeren is daadwerkelijk een skill. Veel succesvolle podcasters zijn journalist of columnist en dus gewend om verhalen op een smakelijke manier op te dissen. Ze weten hoe ze moeten ‘leveren’ en staan ‘aan’ op het moment dat er een microfoon onder hun neus wordt geschoven. Dit vergt talent, een hoop oefening, maar ook de wil om je leven in een narratief te gieten – om alles wat je meemaakt te zien als een potentiële anekdote. Daar moet je maar zin in hebben.

Tegelijkertijd zijn uit de oneindige stroom aan podcastgeklets lessen te trekken die je in het dagelijks leven kunt toepassen. Zoals: luister aandachtig naar de ander. Stel open vragen. Stimuleer een goed verhaal van je gesprekspartner. Desinteresse is de dood in de pot voor ieder gesprek, helemaal voor een podcast.

“Je moet de intentie hebben om elkaars verhaal op te blazen,” zei Gijs Groenteman over de dynamiek die hij met Teun van der Keuken heeft in hun podcast. We hoeven niet allemaal gesprekken te voeren op anderhalve keer de normale snelheid en ons leven tot één lange anekdote te maken, maar een beetje beter leren babbelen is nooit weg. Bovendien maakt het al die honderden uren podcasttijd toch iets minder verspild.

Veelbeluisterde babbelpodcasts

- Weer een dag (Gijs Groenteman en Marcel van Roosmalen)
- Teun en Gijs vertellen alles (Teun van de Keuken en Gijs Groenteman)
- Marc-Marie & Aaf vinden iets (Aaf Brandt Corstius en Marc-Marie Huijbregts)
- Zelfspodcast (Sander Schimmelpenninck en Jaap Reesema)
- Geuze en Gorgels (Monica Geuze en Kaj Gorgels)
- De Shitshow (Janneke van der Horst en Stéphanie Hoogenberk)
- Mediameiden (Tamar Bot en Fanny van de Reijt)

Meer over