PlusAchtergrond

Wat je normaal in vrouwenbladen aantreft weet Marja Pruis moeiteloos de literatuur in te trekken

Marja Pruis is snel geïrriteerd en denkt: ik schrijf het gewoon op. Dat doet ze ook – met het nodige dedain – in essaybundel Boos meisje.

Dieuwertje Mertens
Marja Pruis. Haar essays kenmerken zich door ogenschijnlijk banale dialogen, gevolgd door genadeloze observaties. Beeld Bob Bronshoff
Marja Pruis. Haar essays kenmerken zich door ogenschijnlijk banale dialogen, gevolgd door genadeloze observaties.Beeld Bob Bronshoff

Op wie is dat meisje op de omslag boos? Ze bijt op haar lip. En wat doet dat handje onder haar kin? Is ze aan het poseren? Of staat ze op het punt haar middelvinger op te steken? In haar hoofd gebeuren donkere dingen; ze is iemand nauwgezet aan het fileren. Wat zeg ik? Ze laat geen spaan van hem heel! ‘Waarom kijk je zo boos schatje? Lach eens’, roept een man op straat haar toe. Daar is ie, de blik. Nu zul je hem krijgen!

Dat meisje op het omslag van Boos meisje is geheel ontoevallig schrijver Nina Polak, een vriendin van Marja Pruis. Verwacht je met Pruis’ nieuwe essaybundel een aanvulling op de reeks feministische woedeboeken die wereldwijd verschenen, dan krijg je iets anders. Bij Pruis draait het meer om ongenoegens, irritaties – de ondertitel luidt niet voor niets ‘over vrouwen en frictie’.

Een volwassen vrouw ‘boos meisje’ noemen is een vorm van seksisme. ‘Meisje. De diminutie ligt op de loer,’ schrijft Pruis. Het ‘meisje’ maakt de boosheid onschadelijk, maakt van haar een aandoenlijk hittepetitterig stampertje. Maar toevallig is Pruis gek op boze meisjes, haar boekenplanken staan er vol mee: Simone de Beauvoir, Vivian Gornick, Renate Rubinstein, Rachel Cusk.

Traktatie voor de lezer

De (boze) meisjes (en jongens) uit Amsterdam zijn ook gek op Pruis, die het boegbeeld is voor een generatie millennialschrijvers als Niña Weijers, Nina Polak, Hanna Bervoets, Maartje Wortel, Basje Boer, Renske de Greef en niet te vergeten Groene Amsterdammer-collega Joost de Vries (er zijn vast meer mannelijke auteurs die haar als voorbeeld hebben).

Op sociale media regende het fijne oneliners uit een interview met Pruis voor Volkskrant Magazine over onderwerpen als schrijven (‘Alleen als je het op een andere manier niet redt in deze wereld ga je schrijven’) en feminisme (‘Mijn verhouding tot het feminisme is er altijd een van aantrekken en afstoten geweest’), verrukt aangehaald door haar fanbase.

Wat maakt de stukjes van Pruis zo aantrekkelijk? Ze weet onderwerpen die je normaal in vrouwenbladen als Libelle aantreft – gewicht, een nieuwe jurk, ouder worden, flirten – moeiteloos de literatuur in te trekken. En dat in De Groene, het clubblad van academici, waar haar bespiegelingen, te midden van zwaarwichtige beschouwingen over politiek en economie, toch een beetje de traktatie voor de lezer zijn. Pruis ís De Groene, maar tegelijkertijd op een heerlijke manier ook helemaal niet.

Een Pruisje doen

Er zijn veel Pruisadepten. Je haalt ze er zo uit aan de hand van hun essays die beginnen midden in een gesprek tussen vrienden op een terras, bij een prijsuitreiking, een voorstelling, in de winkel. Je leest het en denkt: ze doen een Pruisje. Ze wisselen van gedachten over iets banaals. Maar hoe dan verder? Wat er wordt gezegd is bij Pruis eigenlijk van secundair belang, het draait om de genadeloze observaties die erop volgen, in rake steekzinnetjes opgediend. En op dat punt scheiden de adepten zich van hun grootmeesteres.

Pruis zelf heeft zo ook haar voorbeelden, laat ze zien in essay Ik dacht dat ik Janet Malcolm was. Ze beschrijft de kritiek die ze kreeg op haar biografie De Nijhoffs of De gevolgen van een huwelijk (1999), wat door een medemoeder op zaterdag langs de lijn bij een voetbalwedstrijd van haar zoon een ‘hárd boek’ werd genoemd. Pruis dacht, Malcolm indachtig: ik schrijf het gewoon op: ‘de maaltijd waarmee de erfgenaam me probeert te paaien, de hazenlip van de zoon, de lange tanden van diens minnaar’.

The male gaze

Haar essay over voormalige VVD-politica Neelie Kroes begint met de woorden: ‘Neelie Kroes stond op de cover van Vrij Nederland en ik schrok. Wie haat haar zo dat ze zo gefotografeerd moest worden?’ Want, ja, Kroes heeft rimpels en die zijn niet weggewerkt. Zie daar Pruis’ male gaze.

Wat volgt is een portret van een vrouw die zich op het eerste gezicht laat kenmerken door gezegdes als ‘niet lullen, maar poetsen’, ‘handen uit de mouwen’ en meer van dat soort naoorlogse Rotterdamse daadkracht. Maar eigenlijk is het een stuk over hoe naar vrouwen wordt gekeken: slecht. Een invloedrijke vrouw wordt tot makkelijke platitudes gereduceerd. Ook over Sigrid Kaag schreef ze zo’n stuk.

Hoewel die portretten van Kaag en Kroes helemaal niet onaardig zijn, missen ze een extra laag. Pruis lijkt zich daarvan bewust, maar dat weerhoudt haar niet. Ze leidt haar stuk over Kaag in met een verhandeling over het verschil tussen een schrijver en een niet-schrijver portretteren: bij een schrijver is zijn werk altijd het uitgangspunt. ‘Dat is natuurlijk ook zo overzichtelijk, en veilig, aan het schrijven over een schrijver, zoals ik meestal doe. Het is een papieren werkelijkheid waarover je het hebt, het is lekker boekig; het werk geeft je de vrijbrief om vrijuit te speculeren over iemands obsessies, ideeën, paradoxen.’

Een vrouw om bang voor te zijn

Juist die vrijbrief maakt Pruis’ essays interessant en gelaagd. Kaag, hoewel bewonderenswaardig, blijft Kaag. Terwijl Pruis er in haar essay over schrijfster Rachel Cusk lustig op los citeert en interpreteert (‘het gebeurt niet vaak dat je iets leest en het gevoel hebt kennis te maken met een rücksichtsloze geest, iemand die iets onwelkoms te melden heeft’). Ze concludeert dat deze schrijfster in haar duistere weigering om te behagen een vrouw is om bang voor te zijn. Dát blijft nazinderen.

Veel van wat vrouwen over elkaar denken is, de gedroomde sisterhood ten spijt, gewoon niet zo aardig. Dat is ook aantrekkelijk aan Pruis: haar feminisme kent gebreken. In nasleep van The voice komt een van de slachtoffers in een praatprogramma haar verhaal vertellen. Pruis ként dit verhaal, zoals iedere vrouw dit verhaal kent. Maar, schrijft ze: ‘Er is nog iets waardoor ik moet blijven kijken naar het meisje. Het heeft te maken met hoe ze eruitziet, wat ze aanheeft. Is het een jasje, of is het een blouse?’

De volgende dag vraagt ze aan haar dochter: ‘Waarom zou je dit kwetsbare verhaal vertellen en dan je borsten zo ongeveer uit je blouse laten v...’ Dat komt haar op een berisping van dochterlief te staan. Maar ze schrijft het wel op. En precies dát maakt dat je de essays van Pruis wil lezen.

CV

Marja Pruis (1959) schrijft romans, essays en biografische boeken. Ze debuteerde met Bloem (1999), een impressionistische novelle over liefde en lust. Voor haar literatuurkritische essaybundel Kus me, straf me ontving ze de Jan Hanlo Essayprijs 2013. Haar liefde gaat vooral uit naar vrouwelijke auteurs. Sinds 2006 schrijft Pruis voor De Groene Amsterdammer over literatuur. Ook heeft ze een populaire literaire column in dit blad.

null Beeld

Boos meisje

Marja Pruis
Nijgh & Van Ditmar, €22,50
248 blz.

Meer over