Marjolijn de Cocq. Beeld Artur Krynicki
Marjolijn de Cocq.Beeld Artur Krynicki

‘Voor straf’ staat de urn van grootmoeder tussen verfblik en onkruidverdelger in het tuinhuisje

PlusMarjolijn de Cocq

Marjolijn De Cocq

‘Mag ik vragen wat de reactie van uw vader was?” informeert iemand uit het publiek in Spui25 bij Heleen Debruyne. Ja, daar had ze wel een paar nachten van wakker gelegen, reageert de Vlaamse auteur, dat haar vader haar autobiografische boek De huisvriend nu echt ging lezen. Ze had hem niet de drukproeven voorgelegd omdat ze bang was dat ze zich dan verplicht zou voelen dingen te veranderen terwijl ze die er zelf ‘wel goed vindt staan’. Maar gisteren had hij tegen haar gezegd: “Het viel mee.”

Ze hadden beiden niet de aandrang gevoeld daar verder op door te gaan.

Misschien, zegt ze tijdens deze avond ter viering van het verschijnen van De huisvriend, was hij bang geweest dat ze ‘heel hard in dat misbruik en trauma zou gaan zitten’. Maar dat is voor haar niet de hoofdzaak van een boek dat speelt in een bredere context van de late jaren zestig in het burgerlijke, katholieke West-Vlaanderen; waarin zij afdaalt in haar familiegeschiedenis om vooral ook iets over zichzelf te onderzoeken.

Een bredere context, wel, waarin het kon gebeuren dat Albert, de rijke, excentrieke huisvriend van haar grootouders, wijnovergoten diners en familievakanties naar de chique Europese oorden van weleer bekostigde in ruil voor logeerpartijen van hun Koentje, het zoontje aan wie ze om hun moverende redenen toch al niet veel aandacht schonken. Terwijl voor ‘Bertie’ toch gold dat dat niet iemand was met wie je je kind alleen moest laten.

Debruyne schreef een gelaagd verhaal, vanuit haar eigen zwangerschap waarin de vragen rond moederschap uitvergroot raakten. Ze was opgegroeid met een olifant in de kamer, sinds enkele jaren ook stond de urn van haar grootmoeder tussen verfblik en onkruidverdelger in het tuinhuisje – ‘voor straf’, geen uitvaart met de cellosuite van Bach.

‘Af en toe ving ik gesprekken op tussen mijn ouders waarin Alberts naam viel. Soms werd er geschreeuwd, meestal eindigde het ermee dat mijn moeder zich opsloot in de slaapkamer. Dan aten mijn vader en ik een omelet op het tapijt voor de tv en keken we naar het journaal.’

Een jaar of elf is ze als ze, naast haar vader Koen in de auto, vraagt wanneer ze nog eens langs Bertie zouden gaan. Het antwoord: “Dat gaan we niet meer doen.” Verder vragen uitgesloten, credo: de beer niet porren.

Met veel enerzijds en anderzijds probeert Debruyne – soms kotsmisselijk van haar eigen begrip – de ‘vieze kluwen’ te ontwarren; het familiegeheim dat haar de angst aanjoeg dat zij een aangeboren wreedheid van haar grootmoeder heeft geërfd. Geen zelftherapie, zegt Debruyne in Spui25, en ze heeft eigenlijk alleen nog maar meer vragen. Maar beter dit dan weg te kijken van de duistere verhalen.

En die urn, die blijft in dat tuinhuisje.

Marjolijn de Cocq schrijft elke week een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Reageren? m.decocq@parool.nl

Meer over