PlusExpositierecensie

Tropenmuseum laat maar liefst 1200 vierkante meter aan Nederlandse koloniale erfenis zien

Niet eerder ging het Tropenmuseum zo diep in op het koloniale verleden van Nederland en de gevolgen daarvan als met Onze koloniale erfenis. De tentoonstelling is de nieuwe vaste opstelling van het museum.

Peter van Brummelen
Ruwatan Tanah Air Beta; Reciting Rites in its Sites, door Zico Albaiquni. Beeld Courtesy of the artist and Yavuz Gallery/Tropenmuseum
Ruwatan Tanah Air Beta; Reciting Rites in its Sites, door Zico Albaiquni.Beeld Courtesy of the artist and Yavuz Gallery/Tropenmuseum

Filmbeelden van koning Willem-Alexander, minister-president Mark Rutte en burgemeester Femke Halsema zijn het eerste wat de bezoeker van Onze koloniale erfenis ziet. Het zijn beelden uit toespraken waarin excuses worden aangeboden voor het kolonialisme en de slavernij. Daarmee is de toon gezet.

Ooit werden in het Tropenmuseum in Amsterdam heel andere ideeën uitgedragen. Het Koloniaal Museum heette het oorspronkelijk en het fungeerde vooral als etalage voor de Nederlandse kolonies, waar – zo was toen nog de gangbare opvatting – iets groots werd verricht.

Gevelstenen aan de buitenkant van het in 1926 geopende gebouw herinneren eraan. Op een ervan aanvaarden oosterlingen in grote dankbaarheid het christelijk geloof, gesymboliseerd door een bijbel.

Er waait in het gebouw, dat bij oplevering het grootste van de stad was, al heel lang een andere wind. Maar niet eerder ging het Tropenmuseum zo diep in op het Nederlandse koloniale verleden en de nog altijd voortdurende gevolgen daarvan.

Onze koloniale erfenis volgt kort op Revolusi!, de tentoonstelling in het Rijksmuseum over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, die ook in het Tropenmuseum uitgebreid aan bod komt. Revolusi! was een bijna vier maanden te zien, Onze koloniale erfenis neemt de komende zeven jaar de volledige eerste verdieping van het Tropenmuseum in beslag.

Wat meer houvast

Wel 1200 vierkante meter hadden de tentoonstellingsmakers tot hun beschikking. Evengoed: hoe vertel je zo’n complex verhaal als dat van het Nederlandse kolonialisme, een verhaal dat zich uitstrekt over ruim vier eeuwen en zich in diverse delen van de wereld afspeelde en afspeelt?

Er is nadrukkelijk niet gekozen voor een chronologische opzet, evenmin is er een geografische indeling. Onze koloniale erfenis is ingedeeld in thema’s als handel, religie en racisme. Dat werkt, maar zo nu en dan zal zelfs een goed ingevoerde bezoeker zich afvragen: waar en vooral wanneer zitten we nu in het verhaal? Een tijdlijn hier en daar, hoe summier ook, had wat meer houvast kunnen bieden.

De getoonde objecten komen vooral uit de eigen collectie van het Tropenmuseum. Daar zitten vreselijke objecten bij. Authentieke boeien, een brandmerk en een zweep uit de tijd van de slavernij bijvoorbeeld, in de jaren twintig van de vorige eeuw in bezit gekomen van het museum. Het zijn voorwerpen waar je bijna niet naar durft te kijken.

Oude muziekinstrumenten

Heel prominent liggen die nare voorwerpen ook niet te kijk. Veel nadrukkelijker aanwezig zijn, in dezelfde zaal, objecten die slaafgemaakten de mogelijkheid boden ondanks alles hun waardigheid te behouden. Muziek speelde daarbij een rol. Muziekinstrumenten worden niet alleen getoond, je kunt ook horen hoe ze klinken – het is een mooie traditie in het Tropenmuseum.

Te midden van percussie-instrumenten ligt ook een banjo uit de achttiende eeuw, door een slaafgemaakte op een Surinaamse plantage gemaakt van een kalebas. De banjo, het oudst bekende exemplaar van het Amerikaanse continent, was in het Tropenmuseum al eerder te zien op de muziektentoonstelling Rhythm & Roots en maakt weer net zo veel indruk als toen.

Indonesië

Kunst is een wezenlijk onderdeel van Onze koloniale erfenis. Veel van die kunst werd speciaal voor de tentoonstelling gemaakt. Opvallend is het werk Stiltes waar je niet om heen kunt van Gladys Paulus, een kunstenares met een Indische achtergrond. In haar familie werd vooral gezwegen over het einde van het leven in de kolonie.

Te zien zijn van haar drie grote werken van vilt. Paulus maakte dat vilt niet zonder reden van wol van Texelse schapen; van de Rede van Texel vertrokken indertijd de schepen naar ‘de Oost’. Een draad die Paulus spon van de wol is 6421 zeemijlen lang: de afstand die haar familie bij de repatriëring naar Nederland per schip aflegde tussen Soerabaja en Rotterdam.

Als personen van gemengd bloed namen Indo-Europeanen (Indo’s) als Paulus’ familie in de maatschappelijke rangorde van Nederlands-Indië een tussenpositie in: minder aanzien en rechten dan de witte Nederlanders, maar weer een eind ‘boven’ de ‘inlanders’.

Een in batik uitgevoerde hond in het kunstwerk van Gladys Paulus verwijst naar anjing belanda, een tijdens de onafhankelijkheidsstrijd gebruikt Indonesisch scheldwoord voor Indo’s, letterlijk: Nederlandse hond.

Die onafhankelijkheidsstrijd komt als gezegd uitgebreid aan bod in Onze koloniale erfenis. Daarbij wordt ook gemeld dat Europeanen, Chinezen, Molukkers en van samenwerking verdachte Indonesiërs groot risico liepen om doelwit te worden van geweld van Indonesische jongeren. De tot voor kort gangbare, maar inmiddels omstreden benaming voor die periode, Bersiap, valt daarbij niet. Elders in de tentoonstelling wordt de term wel gebruikt.

De tentoonstelling is vanaf vrijdag te zien

Meer over