Ten slotte

Schrijver Jeroen Brouwers (82) overleden: hij won zowat elke literaire prijs die er te winnen viel

Jeroen Brouwers Beeld Annaleen Louwes
Jeroen BrouwersBeeld Annaleen Louwes

Als er één auteur was die iets kwijt moest, was het Jeroen Brouwers. Met vrijwel alles wat hij van zich afschreef, voegde hij iets unieks toe aan de Nederlandse literatuur.

Dries Muus

Als een ongelukkige jeugd inderdaad de goudmijn van een schrijver is, bezat Jeroen Brouwers er een ter grootte van een provincie. Dat de auteur woensdag overleed na een kort ziekbed, was geen enorme verrassing: Brouwers was 82 en zijn gezondheid was al jaren broos. Dat hij überhaupt die hoge leeftijd heeft behaald, zijn monsterlijke kindertijd heeft overleefd en zijn levenslange demonen ook al die decennia daarna de baas bleef, is een klein wonder.

Of misschien niet helemaal. In elk geval geen onverklaarbaar wonder. Brouwers’ geesteskracht is sterk verbonden met zijn woeste, onverslaanbare oeuvre – als er één auteur is die iets kwijt moest, niet zozeer een verhaal of idee, maar een last waarmee niet viel te leven, was hij het. Lange tijd schreef Brouwers alles van zich af, met een drift en noodzaak die in zijn beste boeken voelbaar was in iedere welluidende zin.

Die jeugd. Jeroen Godfried Maria Brouwers werd geboren in Batavia, in 1940. Hij bracht zijn jongste jaren door in Indië, waar hij na de Japanse invasie samen met zijn grootmoeder, moeder en zus in het Japanse interneringskamp Tjideng belandde. Zijn grootmoeder overleefde het kamp niet, Jeroen, zijn moeder en zus wel.

Onhandelbaar en diep getraumatiseerd

De kampervaringen legden de basis voor de rest van zijn leven, voor zijn solitaire, strijdbare karakter, en een cruciaal deel van zijn oeuvre: Brouwers beschreef ze onder meer in de romans Het verzonkene en De zondvloed, en op zijn meest genadeloos in wat misschien wel zijn hoofdwerk is, de even compacte als allesomvattende roman Bezonken rood uit 1981.

Op 8-jarige leeftijd kwam Brouwers naar Nederland. De onhandelbare, diep getraumatiseerde jongen bracht een groot deel van zijn latere jeugd door op katholieke kostscholen – een ervaring die hij tot fictie verwerkte in de succesvolle roman Het hout, uit 2014.

Na zijn mulo-opleiding en dienstplicht ging Brouwers onder meer aan het werk in de journalistiek en later bij een uitgeverij, maar het was al vanaf zijn eerste boeken duidelijk waar zijn grootste kracht, zijn hart en zijn ambitie lagen: de literatuur, het eigenhandig opbouwen – of uithakken – van een oeuvre.

‘Creatieve vulkaan’

Hij debuteerde in 1964 met de verhalenbundel Het mes op de keel, die matig werd ontvangen. Zelf beschouwde hij de roman Joris Ockeloen en het wachten (uit 1967) als zijn echte debuut, maar pas toen hij – weer een aantal jaar en vele schrijfworstelingen later – besloot om over zichzelf te schrijven, kwam hij tot de kern van zijn talent.

‘Eindelijk was ik de creatieve vulkaan die ik altijd had willen zijn’, zei hij daarover in een interview. ‘Die tien, vijftien productieve jaren waren de gelukkigste uit mijn leven. Het bleef maar stromen: romans, beschouwingen, kritieken, polemieken, en allerlei goed verwoord chagrijn.’

Maar het zijn uiteindelijk toch zijn romans waarin zijn schrijverschap het sterkst tot uiting komt, en die het meeste succes oogstten. Brouwers’ vlammende, virtuoze stijl, waarin hij agressie paarde aan welsprekendheid, had een onontkoombare invloed op jongere schrijvers – Ronald Giphart en Dimitri Verhulst zongen bijvoorbeeld Brouwers’ lof en verklaarden zich schatplichtig.

Laatste roman

Brouwers won zo ongeveer elke literaire prijs die er te winnen viel, zowel voor zijn complete oeuvre als voor op zichzelf staand werk. Voor zijn laatste roman, Cliënt E. Busken, een tragikomische, fascinerende monoloog van een dementerende man, won hij in 2021 de Libris Literatuurprijs. Brouwers vatte de existentiële verwarring van zijn hoofdpersoon – ‘Gewarrel en gedwarrel in mijn hersenpan. Daar wankelt van alles en kantelt om’ – in schitterend, eloquent gekanker.

Zijn eigen geest bleek, getuige die roman, tot op hoge leeftijd kristalhelder en vlijmscherp, al gaf Brouwers zelf ook aan dat er waarschijnlijk niet nóg een roman inzat. Zijn broze lijf stond het niet toe. Het was genoeg geweest – meer dan.

Met vrijwel alles wat Brouwers van zich afschreef, voegde hij iets unieks toe aan de Nederlandse literatuur. ‘(...) wat ik heb geschreven hoeft niet langer door mij te worden onthouden, het mag nu beweging veroorzaken in de bewustheden en onbewustheden van anderen’, schreef hij in Bezonken rood. Die beweging zal nog lang naruisen.

Meer over