PlusInterview

Roy Jacobsen beschrijft een reis over Noorse eilandwegen vol slechte gewetens: ‘Ze bevochten de zee’

‘Niemand kan een eiland verlaten,’ schreef Roy Jacobsen in De onzichtbaren over het Noorse eilandmeisje Ingrid Barrøy. Wat hij toen nog niet wist, was dat Ingrid Barrøy hém niet meer zou verlaten. Zijn derde roman over haar, Ogen van de Rigel, is nu in het Nederlands verschenen.

Marjolijn de Cocq
De M.S. Rigel werd in 1944 gebombardeerd door de Britten voor de kust van Noorwegen. Beeld Imperial War Museums via Getty I
De M.S. Rigel werd in 1944 gebombardeerd door de Britten voor de kust van Noorwegen.Beeld Imperial War Museums via Getty I

Hij is net terug van een promotietournee door Italië, die hij als een beproeving heeft ervaren. Nog steeds mondkapjes, coronapaspoorten en al die Italianen die als zelfbenoemd politieagent menen te moeten optreden. Door omstandigheden moest de Noorse schrijver Roy Jacobsen (68) zijn bezoek aan Nederland afgelasten. “Nu ik in Oslo lees over de chaos op Schiphol, ben ik blij dat ik niet in Amsterdam ben. Heel droevig, zo’n uitspraak uit mijn mond, want ik hou van Amsterdam en ik ben er al tien jaar niet geweest.”

Over twee weken vertrekt hij met zijn vrouw naar het eiland aan de Noorse westkust, waar hij van jongs af aan de zomermaanden doorbrengt. Zijn grootouders woonden daar, iets ten zuiden van de Lofoten, zo’n 1100 kilometer ten noorden van Oslo. Het is wat hij noemt een ‘hoofdeiland’. Zijn moeder was als telg van een geslacht van vissers en walvisvaarders opgegroeid op het kleinere Dønna.

Dat eilandje staat model voor het fictieve Barrøy in zijn Ingrid Barrøy-reeks waarvan nu het derde deel Ogen van de Rigel is verschenen. Een ‘Robinsonade’, zoals dat in de literatuur heet naar Robinson Crusoë, over sociaal isolement en vergeten eilandleven, waar hij tot zijn eigen verbijstering nog een vijfde (en dan wel slot-)deel aan wil toevoegen. Gewoonlijk heeft hij na één boek wel genoeg van zijn personages, maar met Ingrid Marie Barrøy moet hij door ‘tot het bittere eind.’

“Vakantie noemden ze het als we vroeger naar mijn opa en oma gingen, maar het was meer een werkkamp. We moesten helpen op het land, met de dieren, met hooien en met vissen. Er was daar een oude buurvrouw die ons kinderen alles leerde. Hoe we een faering moesten roeien, hoe we vis moesten doden en schoonmaken. Ze keek altijd uit over zee naar een klein heuveltje aan de horizon: het eiland waar ze de eerste 53 jaar van haar leven had gewoond, meer dan het dubbele van de tijd dat Crusoë op zíjn eiland zat. ‘De mooiste plek op aarde,’ zei ze altijd.”

Uitgebeende taal

Door deze buurvrouw ontdekte hij dat er duizenden van zulke eilandjes langs de kust van Nordland zijn, waar mensen voor de ontvolking midden vorige eeuw duizenden jaren hebben geleefd . “Ze bevochten de zee. Het eilandleven was een zwaar bestaan. Hun werk bracht Noorwegen rijkdom, door de export van vis via de Hanzesteden. Zo werd onze kabeljauw bacalau. Vis was naast olie en gas ons voornaamste exportproduct, een van de pijlers van de Noorse economie – en niemand heeft het er meer over.”

“In de jaren zestig en zeventig groeide de welvaart. Mensen wilden een makkelijker en meer beschermd bestaan. De boten werden gemechaniseerd, mensen hoefden niet meer zo dicht bij de viswateren te wonen. ‘Niemand kan een eiland verlaten’, schrijf ik, want dat eiland blijft altijd bij je. Als wat je je hele leven hebt geleerd en gedaan niet meer van waarde is, laat je een deel van je identiteit achter. De meeste mensen die vertrokken braken hun huizen af en vervoerden die naar het vasteland of naar de hoofdeilanden. Kom je nu op die eilanden, dan zie je alleen nog de fundamenten.”

Al in de jaren tachtig speelde hij met de gedachte aan een roman, gebaseerd op het levensverhaal van die oude buurvrouw. Maar pas op een zaterdagmiddag in 2011 schreef hij de eerste zin van wat De onzichtbaren zou worden, tegelijk rauw en ragfijn in sfeertekening. In bewust uitgebeende taal beschrijft hij het eilandleven als een eeuwige strijd tegen de elementen, de rest van de wereld op afstand.

Dat het zo lang duurde in zijn carrière als schrijver, zegt Jacobsen, daaraan is de logistiek des levens debet. Hij studeerde een jaar wiskunde in Oslo, maar sloeg op de vlucht en ging werken in de walvisvaart. Midden jaren zeventig ontmoette hij daar in het noorden zijn vrouw, een avonturier uit de Ardennen die in Tromsø filosofie en Noors studeerde. Ze hebben samen twee kinderen en vijf kleinkinderen.

“Ik ben visser geweest, onderwijzer, ik heb in de bouw gewerkt – niet omdat ik ervaring wilde opdoen voor de dingen die ik in mijn boeken beschrijf, maar puur om mezelf en mijn gezin van levensonderhoud te voorzien. Ik wilde altijd schrijver worden. Pas sinds 1990 kan ik ervan leven. Sindsdien heb ik, zoals mijn vader zou zeggen, niets zinnigs meer gedaan. Ik ben een geprivilegieerd mens.”

Scheepsramp

In het tweede deel Witte Zee leeft de 35-jarige Ingrid in oorlog en armoede, alleen op Barrøy als op het eiland de lijken aanspoelen. Op de hooizolder vindt ze een zwaargewonde jonge Rus, een van de weinige overlevenden van een scheepsramp die óók in de vergetelheid is geraakt: die van de M.S. Rigel, een gevorderd Noors vrachtschip waarin de nazi’s Russische krijgsgevangenen en Duitse deserteurs vervoerden. Het werd op 27 november 1944 door de Britten gebombardeerd. Ruim 2300 opvarenden kwamen om het leven. Eilandbewoners die overlevenden hielpen, liepen het gevaar van executie.

‘De waarheid is het eerste slachtoffer van de vrede’, schrijft Jacobsen in De ogen van de Rigel, waarin Ingrid het eiland verlaat om haar Rus met de donkere ogen terug te vinden – de ogen die zijn dochtertje heeft geërfd. “Ik voelde een haast bijbelse dimensie bij het schrijven. Als een Madonna trekt ze met haar kind door het postbellum over een weg vol slechte gewetens. Mensen beschermen haar of liegen haar voor om hen moverende redenen. Dat maakt het voor mijn arme meisje op zoek naar haar grote liefde een uiterst verwarrende reis.”

“Maar zo was het in Noorwegen in die jaren. We herschrijven natuurlijk allemaal steeds onze eigen jeugd zoals het ons ego het beste past. Dat doen landen ook. In de vijf jaar dat de Duitsers Noorwegen bezetten moesten mensen kiezen: de wapens oppakken en vechten? Of hun gezin overeind proberen te houden? Dus werd er met de bezetter geheuld. Na de oorlog was men daar niet zo trots op. Toen wilde iedereen verzetsheld geweest zijn.”

“De ramp met de Rigel was bijna twee keer zo groot als die met de Titanic, maar toch heeft niemand ervan gehoord. Het schip zonk niet maar liep aan de grond, praktisch bij de voordeur van mijn grootouders. De boeg stak twee meter boven het water uit. Tot mijn zeventiende lag het daar. Pas in 1971 is het vlot getrokken om het te demonteren. Ze vonden nog 1110 schedels aan boord; al die jaren hadden ze die lichamen gewoon laten liggen.”

Gordijn van schaamte


De Rigel is het grootste symbool van de hubris van de westelijke samenleving, aan het zicht onttrokken door een gordijn van schaamte, zegt Jacobsen. “Ze is per ongeluk of uit arrogantie gebombardeerd door RAF-piloten. De slachtoffers waren voornamelijk Russen. Geen helden hier, alleen maar ongekend lijden.’

En ook het verhaal van die Russische krijgsgevangenen die uit Noorwegen probeerden te ontsnappen en in wier voetspoor Ingrid Barrøy trekt, is zo’n ‘vergeten’ verhaal. In Noorwegen werden er meer dan 100.000 ingezet voor slavenarbeid aan havens, spoor en wegen. “Ik vind graag de witte vlekken in onze geschiedenis: de vergeten vissers, de ramp met de Rigel, de krijgsgevangenen en hun vluchtroutes. Ik probeer te schrijven over wat we vergeten, waarom we vergeten en wat we verdringen.”

null Beeld -
Beeld -

Ogen van de Rigel

Roy Jacobsen
Vertaald door Paula Stevens
De Bezige Bij, €23,99
231 blz.

Roy Jacobsen  Beeld Agnete Brun
Roy JacobsenBeeld Agnete Brun

Eilandmeisje

Roy Jacobsen (Oslo, 1954) schrijft romans, korte verhalen en kinderboeken en wordt gezien als een van de belangrijkste auteurs uit Noorwegen. De onzichtbaren uit 2013, dat het eerste deel zou worden in een nog niet voltooide reeks boeken over het eilandmeisje Ingrid Barrøy, werd in meer dan veertig landen vertaald en stond op de shortlist van de Man Booker International Prize en de International Dublin Literary Award. Het tweede deel Witte zee verscheen in 2021 in Nederlandse vertaling.

Meer over