PlusSchrijvershotel

Ronald Giphart: ‘Ik had geen zin te luisteren naar de speelse uitwisseling van genetisch erfmateriaal’

Wat is een schrijvershotel zonder schrijvers? Een pen zonder inkt? Gedurende zes maanden wordt wekelijks een auteur uitgenodigd om tijdens een verblijf in het Amsterdamse Ambassade Hotel te beschrijven hoe het schrijverschap in deze tijd voor hem of haar is.

Ronald Giphart. Beeld BEELD JASMIN GUNTHER/AMBASSADE HOTEL
Ronald Giphart.Beeld BEELD JASMIN GUNTHER/AMBASSADE HOTEL

Hotel Chelsea in Manhattan was tot 2011 de illustere verzamelplaats van honderden kunstenaars, acteurs en muzikanten. Madonna woonde er (kamer 822), Leonard Cohen (424) en Janis Joplin (411), de vriendin van Sid Vicious werd er doodgestoken (100) en zelf overleed de bassist van The Sex Pistols er aan een overdosis (ook in 100).

Kunstenaars als Christo, Robert Mapplethorpe (1017), Willem de Kooning en Andy Warhol betaalden hun overnachtingen met kunstwerken, schilderijen die overal in het hotel werden opgehangen.

Ook onnoemlijk veel schrijvers bivakkeerden er: van Mark Twain tot Jack Kerouac, van William S. Burroughs tot Jan Cremer (die er geruime tijd woonde), van Arthur Miller tot de Ierse dichter Dylan Thomas (kamer 205). Toen de laatste op een avond in 1953 terugkwam van The White Horse Tavern, zijn nabijgelegen stamcafé, bezweek hij van de achttien whisky’s die hij had gedronken.

Het was een bedevaart naar deze Dylan Thomas die mijn vriend Dylan van Eijkeren (bekend van Het Parool) en mij halverwege de jaren negentig naar Hotel Chelsea bracht. Het lukte ons zowaar om kamer 205 te boeken, althans dat is het verhaal dat we later hebben rondgebazuind (in werkelijkheid verbleven we in kamer 434).

The Chelsea was alles wat ik me ervan had voorgesteld: de lobby was bezaaid met kunstwerken, het hotel werd bevolkt door een bonte stoet excentrieke weirdo’s en achter de ietepetieterige receptie zaten vierentwintig uur per dag twee mannen met een tulband die beiden Singh heetten.

In het vliegtuig naar JFK hadden Dylan en ik twee Nederlandse meisjes ontmoet en bij het afscheid op de luchthaven had Dylan geroepen dat we elkaar die avond om tien uur zouden treffen in The White Horse Tavern. Dit speelt voor het mobiele tijdperk, dus we hadden geen idee of de vrouwen daadwerkelijk zouden opdagen. Dat deden ze wel en uiteindelijk bleven Dylan en een van de meisjes aan elkaar kleven.

Gedrieën belandden we in The Chelsea. Omdat ik geen zin had om in mijn twijfelaar te liggen luisteren naar de speelse uitwisseling van genetisch erfmateriaal in het bed naast me, besloot ik in de lobby bij de Singhen een dutje te doen op een van de oude banken waar Jimi Hendrix nog had gezeten (daar waren foto’s van). Ik vroeg de receptionisten of ik een extra kamer kon huren, maar helaas was het hotel die nacht helemaal volgeboekt.

Toen ik hen mijn penibele situatie had uitgelegd keken ze elkaar aan en schudden ze meelevend hun tulband. Een van de Singhs greep in een laatje en gaf mij een sleutel van een onooglijk personeelskamertje-met-bed op de twaalfde verdieping. Later heb ik vaak beweerd dat Mark Twain daar nog had gewoond, maar dat zal wel niet waar zijn.

Meer over