PlusInterview

Regisseur Hany Abu-Assad over Huda’s Salon: ‘Ik heb de film echt voor Palestijnse vrouwen gemaakt’

In de vernuftig geschreven thriller Huda’s Salon komen twee Palestijnse vrouwen in de mangel tussen de Israëlische geheime dienst en de conservatieve krachten in hun eigen maatschappij. Regisseur Hany Abu-Assad: ‘Ik word gewoon heel kwaad als ik onrecht zie.’

Joost Broeren-Huitenga
Still uit ‘Huda’s Salon’. Beeld
Still uit ‘Huda’s Salon’.

Bij een bezoek aan de kapsalon van Huda wordt de Palestijnse Reem gedrogeerd en naakt gefotografeerd met een haar vreemde man. Het blijkt een valstrik van de Israëlische geheime dienst, die Reem vervolgens wil chanteren om hen van informatie te voorzien. Maar als Huda door het Palestijns verzet wordt opgepakt, komt Reem klem te zitten tussen de strijdende partijen.

De film is geïnspireerd door werkelijke gebeurtenissen. Hoe kwam dat aan het licht?

“Een jaar of twintig jaar geleden werden deze praktijken voor het eerst ontdekt, doordat een meisje dat er het slachtoffer van was zelfmoord pleegde en een brief achterliet. Toen bleek dat er meerdere van dit soort salons waren op de Westelijke Jordaanoever. Vervolgens dachten we: dat is afgelopen, het is ontmanteld. Maar twee jaar geleden bleek dat het nog altijd gaande was. Dat was mijn motivatie: hoe komt het dat twintig jaar later nog steeds dezelfde misdaad wordt begaan? Waarom heeft de Palestijnse samenleving zichzelf hier niet tegen beschermd?”

De verhalen van Huda en Reem lijken elkaar te spiegelen – wat Reem overkomt is bijna een voorloper van waarin Huda belandt.

“Precies. In eerste instantie schreef ik een verhaal rond één personage, met flashbacks naar hoe ze op dit punt was beland. Maar die flashbacks wilde ik niet. Ik wilde de handeling beperken tot één dag, waarbij ik alle scènes in één shot film. Zodat de kijker het gevoel krijgt dat ze vastzitten, net als Huda en Reem. Flashbacks zouden dat verstoren. Toen werden het twee personages en twee lijnen, waardoor het ene personage functioneert als een spiegel van de ander.”

Regisseur Hany Abu-Assad: ‘Elke keer denk ik: nu ga ik gewoon een makkelijke film maken.’ Beeld
Regisseur Hany Abu-Assad: ‘Elke keer denk ik: nu ga ik gewoon een makkelijke film maken.’

‘Een samenleving die zichzelf intoomt, heeft geen onderdrukker nodig,’ zegt iemand in de film. Was de kritiek op de conservatieve krachten in de Palestijnse maatschappij voor u een reden om de film te maken?

“Ja. Kijk, alle bezettingen zijn slecht, dat is vanzelfsprekend. Dus ik hoef geen film te maken om dat te vooroordelen. Wij als Palestijnen hebben ook een verantwoordelijkheid om onze zwakke punten te bestrijden – al is het maar omdat de bezetter er gebruik van maakt. Alleen door dat te bekritiseren, kunnen we sterker worden, en onze samenleving waarschuwen. Ik heb de film echt gemaakt voor Palestijnse vrouwen. Zij begrijpen precies de gevoeligheid van deze misdaad. Ze weten hoe hun lichaam wordt gezien.”

Hoe hoopvol bent u dat films iets kunnen veranderen in de wereld?

“Dat moet de geschiedenis uitwijzen. Ik maak mijn films en gooi ze uit, meer kan ik niet doen.”

Maar de motivatie om dit soort films te blijven maken moet ergens vandaan komen.

“Ja, daar ontkom ik niet aan. Elke keer zweer ik dat ik niet meer zo’n film zal maken, elke keer denk ik: nu ga ik gewoon een makkelijke film maken. Maar ik blijf dit doen – het lijkt erop dat het een verslaving is. Weet je wat het is? Ik word gewoon heel kwaad als ik onrecht zie. En omdat ik er niks aan kan doen, is de enige manier die ik heb om dat te uiten er een film over te maken.”

Huda’s Salon is te zien in Het Ketelhuis en Rialto De Pijp.

Meer over