Review

Pop: It might get loud - Regie: Davis Guggenheim. Met Jimmy Page, The Edge, Jack White. ****

'Ehm, it might get loud for a second,'' zegt The Edge, gitarist van U2, voordat hij in zijn oefenruimte op een knopje drukt en een donderende gitaarriff op zijn computer vastlegt. Fraai moment.

Regisseur Davis Guggenheim legde het vast in zijn documentaire It might get loud, waarin hij de carrières van drie beroemde gitaristen in kaart brengt, ze op 23 januari 2008 in een schuur in Hollywood samenbracht op een soundstage met versterkers en gitaren, waar ze elkaar interviewen en samen elkaars nummers speelden. Een eerbetoon aan de elektrische gitaar wilde Guggenheim maken. Het instrument van de jeugd. Rauw. Agressief. And deeply moving.

Voor de Amerikaanse televisie zei Guggenheim (bekend van onder meer An inconvenient truth) schertsend dat hij graag Jimi Hendrix had willen hebben. ''Maar die was niet beschikbaar.'' 'Zoekers en praters' uit drie verschillende generaties moesten het zijn, want hij wilde geen encyclopedische film over de elektrische gitaar maken, maar verhalen vertellen.

Hij had nog aan Eric Clapton, Jeff Beck en Slash gedacht, maar de keuze viel uiteindelijk op The Edge (1961) van U2, op Jack White (1975) van The White Stripes en The Raconteurs, en op Jimmy Page (1944) van Led Zeppelin.

Dat de schuwe Page aan het project wilde meewerken, mag hoogst bijzonder heten. Hoe Guggenheim dat voor elkaar kreeg, is eigenlijk verrassend eenvoudig. Blijven zeuren. Maar wel met de belofte dat de documentaire uitsluitend en alleen over het creatieve proces zou gaan, en niet over de seks, drugs en rock-'n-roll.

De inmiddels 66-jarige gitaarlegende, met lange witgrijze haren, is de grote ster van de film. Onbetaalbaar mooi, en zelfs diep ontroerend, is het moment waarop hij in die schuur in Hollywood zijn Gibson Les Paul omgordt en de beroemde riff van Whole lotta love inzet, compleet met de klassieke, licht achteroverhellende pose en de bijbehorende grimassen. Wat die scène zo geweldig maakt, zijn de glinsterende blikken in de ogen en de muzikantengrijnzen om de lippen van Jack White en The Edge als de oude überriffmeister Page zijn pa-da-pa-da-whamm-da-da-damm-da-da-damm inzet. The Edge gaat zelfs staan om beter naar de handen van Page te kunnen kijken.

''Technologie is funest voor emotie en waarheid.''
Page, The Edge en White zijn alle drie prachtige zoekers en praters. Hun verhalen vullen elkaar bovendien perfect aan. Zelfs op een onderhuids spannende manier. Want Page, gitaargod uit de jaren zeventig, was één van de belangrijkste representanten van een gitaarstijl waaraan The Edge een diepe hekel had. ''Gitaar- en drumsolo's van vijftien minuten. Die oude kleuren waren dood. Ik keek naar de mockumentary This is Spinal Tap en ik moest niet lachen, maar huilen, omdat het zo dicht bij de waarheid lag,'' zegt The Edge. Hij is zelf meer een hardware-man. ''I love effect-units.'' Page noemt hem een 'sonische architect'. Maar Jack White ziet het anders: ''Technologie is funest voor emotie en waarheid.'' Zijn ideale wereld is die van oude bluesknarren als Son House en zijn speelstijl weerspiegelt die volkomen.

De film zit boordevol schitterende momenten. Page die terugkeert naar Headley Grange, het landhuis waar Led Zeppelin legendarische opnamen maakte. The Edge die terugkeert naar zijn middelbare school in Dublin, waar schoolgenoot Larry een briefje op het prikbord had opgehangen: 'U2 zoekt gitarist'. Jack White die terwijl de camera draait een hartverscheurend bluesnummer schrijft en op een oude bandrecorder opneemt. Of Page die in zijn muziekkamer een heel oud singletje opzet (Rumble van Link Wray) en stralend als een kind luchtgitaar meespeelt. Even is hij weer het jongetje van twaalf dat aan de luidsprekers van zijn pick-up zat gekluisterd.

Wat de verhalen van de gitaristen bindt, is de bijna maniakale doelgerichtheid waarmee ze hun ambities nastreven. The Edge maakt iedereen om hem heen gek met zijn sound-fetisjisme. In elk nummer gebruikt hij een andere gitaar, een ander effect, een andere geluidsafstelling. Jack White heeft zich volledig overgeleverd aan de geest van Son House en Page rustte vroeger als producer niet totdat de platen van Led Zeppelin spectaculair veel beter klonken dan die van de concurrentie.

Enigszins jammer is dat de vragen aan elkaar op dat podium in Hollywood niet werkelijk van de grond komen (misschien zijn ze toch te zeer op zichzelf gefocust), maar het genot is groot als de drie gitaristen U2's I will follow of Led Zeps In my time of dying inzetten.

Geestig is de anekdote van The Edge dat zijn gitaarjuf hem in zijn jonge jaren vroeg haar Stairway to heaven te leren, want daar vroegen al haar pupillen om. Op de extra's tokkelt The Edge in een oud off-stage U2-filmpje de beginakkoorden. ''Dit is alles wat ik tot dusver heb,'' zegt hij met een lach. ''Maar ik denk dat het weleens heel goed zou kunnen worden.''

Prachtfilm. (Sony Pictures)
(ERIK VOERMANS)

null Beeld
Meer over