PlusSchrijvershotel

Pieter Waterdrinker: ‘Toon mij uw hotelkamer, en ik zeg u wat voor een schrijver u bent!’

Pieter Waterdrinker
Pieter Waterdrinker. Beeld Ambassade Hotel
Pieter Waterdrinker.Beeld Ambassade Hotel

Ik ben opgegroeid in een hotel. Zijn er nog meer hotelkinderen in de vaderlandse letteren? Hotelmensen zijn er genoeg. Met Arnon Grunberg als Joseph Roths ultieme vaandeldrager. Roth werd dan wel geboren in een huis in Oekraïne – hij schreef, dronk, leefde tot aan zijn dood in hotels. Wat is een ‘hotelmens’? Uiteindelijk, en dit bedoel ik niet rot, is het iemand die zich laat bedienen.

Met badplaatsen hebben hotels gemeen dat de mens er zich enigszins onthecht voelt; los van het normale leven, dat vaak een bende is. Materieel, existentieel, erotisch. Leegtes om allerwegen te vullen. Fraaie stof voor romanciers! In het hotelletje, café, restaurant, feestzaal, maar vooral ‘werkhuis’ dat mijn grootvader na de oorlog begon, stonden wij aan de bedienende kant. Mijn drie ooms – Jacob, Benno, Simon Waterdrinker. En mijn vader, die na jaren als koksmaatje op de grote vaart naar Zuid-Amerika zijn eigen ‘kachel’ kreeg, ofwel: fornuis.

Hotel Zomerlust te Zandvoort. Het bestaat niet meer. Het waren vreemde jaren. De jaren waarin ik groot werd. Een miljoen, wat zeg ik? Zes miljoen wiener­schnitzels heeft mijn vader gebakken voor Duitse badgasten in de jaren 50, 60, 70, 80. In theorie ook voor de Wehrmachtsoldaat die hem als jongen in de Haarlemmerhout, in het laatste oorlogsjaar, door zijn benen schoot.

Op de leeftijd waarop jonge schrijvers tegenwoordig al kunnen bogen op een bekroond oeuvre, stond ik daar in Zandvoort nog borden te wassen, te koken, te bedienen. Intussen ben ik iemand die wordt bediend. Misschien is dat de enige wezenlijke transformatie in mijn leven: van bediende tot iemand die wordt bediend. Maar het went nooit. Nog altijd draai ik mijn hoofd van lichte gêne weg als een glas wijn, een kop soep of een bord pasta voor me wordt neergezet. Een hotelkamer verlaat ik nooit zonder mijn bed te hebben opgemaakt, ook al weet ik dat zo direct het kamermeisje komt met de schone lakens. Het is een eerbetoon aan mijn moeder. Een miljoen, wat zeg ik? Zes miljoen lakens heeft ze in haar leven verschoond. Veel middenstanders waren destijds arbeider van zichzelf.

Intussen ben ik dertig jaar buitengaats. Wat is Nederland nog voor mij? Naast de begraafplaats van mijn dierbaren? Een hotelkamer. “Toon mij uw hotelkamer, en ik zeg u wat voor een schrijver u bent!” In Moskou, Sint-Petersburg, Bakoe, Grozny, Tasjkent, Odessa, Jalta en andere plaatsen was ik op mijn dienstreizen aan de somptueuze luxe van hotels gewend geraakt. Maar eenmaal weer in Holland, wachtte mij een mank logeerbed, of een hotelkamer uit de onderklasse. Het duurde zeker een roman of zeven voordat uitgevers, mecenassen en programmamakers mij in het vaderland onthaalden op een gastvrijheid die doorgaans slechts buitenlandse schrijvers ten deel valt. En zo, ­lieve lezer, ben ik verzeild geraakt in het Ambassade Hotel te Amsterdam. Mijn huis in Holland. Het enige. Reden om het literaire vuur verder te laten dampen, loeien en knappen.

Meer over