PlusRecensie

Met het complete Revolusi! pakt het Rijks een controversieel onderwerp aan

Portretten van Nederlandse gouverneurs-generaal worden verwijderd om, later, naar Nederland te worden verscheept.  Beeld Fonda/Henri Cartier-Bresson
Portretten van Nederlandse gouverneurs-generaal worden verwijderd om, later, naar Nederland te worden verscheept.Beeld Fonda/Henri Cartier-Bresson

De tentoonstelling Revolusi! in het Rijksmuseum wil het complete verhaal vertellen van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. De informatiedichtheid is hoog, maar de kunst brengt rust.

Peter van Brummelen

De wereldberoemde Franse fotograaf Henri Cartier-Bresson, medeoprichter van het fotografencollectief Magnum, was erbij toen na meer dan drie eeuwen koloniale overheersing de onafhankelijke republiek Indonesië werd geboren. Zijn foto’s verschenen destijds in het Amerikaanse tijdschrift Life en het Nederlandse Panorama.

Nu hebben ze een eigen zaal binnen de tentoonstelling Revolusi! Prachtig werk is het. Kinderen, ouderen: de Indonesiërs (die in de kolonie ‘inlanders’ heetten) stralen van trots zelfbewustzijn. Heel symbolisch is de foto waarop een man en twee jongens een schilderij van een gouverneur-generaal wegdragen.

Met schilderijen van kopstukken van het oude regime wil het tijdens revoluties nog wel eens slecht aflopen, maar de staatsieportretten van de gouverneurs-generaal die de kolonie hadden bestuurd, werden keurig naar Nederland verscheept.

Schilderijen uit de lijsten

Het schilderij dat de man en de jongens op de foto van Cartier-Bresson in handen hebben, is een portret van Willem Rooseboom, die van 1899 tot 1904 de hoogste bestuurder van Nederlands-Indië was. Elders in de tentoonstelling duikt datzelfde schilderij, of beter de lijst ervan, ook op.

Voor zijn installatie Luka dan bisa kubawa beriariari (Wonden en gif voer ik mee op mijn vlucht) gebruikte de Indonesische kunstenaar Timoteus Anggawan Kusno (1989) schilderijen van Nederlandse gouverneurs-generaal uit de collectie van het Rijks en andere musea. De portretten werden uit hun kaders gehaald. Schots en scheef liggen de lege lijsten nu over elkaar heen gestapeld.

Indonesiërs zijn nadrukkelijk betrokken bij Revolusi! Als kunstenaar, maar vooral ook als curator. Dat kon moeilijk anders: zo’n driekwart eeuw na het einde van Nederlands-Indië is kolonialisme een gloeiend heet hangijzer. Een tentoonstelling over de Indonesische revolutie vanuit alleen Nederlanders perspectief zou anno 2022 ronduit absurd zijn.

Een uit zijden landkaarten van het Britse leger genaaide ochtendjas van een Nederlandse vrouw. Beeld ANP
Een uit zijden landkaarten van het Britse leger genaaide ochtendjas van een Nederlandse vrouw.Beeld ANP

Complete verhaal

Revolusi! wil het complete verhaal vertellen. Dat van de Indonesiërs en dat van de Nederlanders. Kritiek zal de bij voorbaat al precaire tentoonstelling ongetwijfeld losmaken, maar veelzijdig is ze zeker. Het weinig zachtzinnig optreden van het Nederlandse leger (lang eufemistisch aangeduid als ‘politionele acties’) komt aan bod, maar ook de wandaden die werden begaan door Indonesische revolutionairen.

Bij de meer dan tweehonderd getoonde objecten maken vooral de heel persoonlijke voorwerpen indruk. Het kapotgeschoten legershirt van een gedode Indonesische republikein. De uit zijden landkaarten van het Britse leger genaaide ochtendjas van een Nederlandse vrouw. Het fotoalbum van een Chinees-Indonesische familie. De doos met brieven en kaarten die een Friezin in Nederland ontving van haar als oorlogsvrijwilliger naar Java uitgezonden echtgenoot.

Een andere Nederlandse oorlogsvrijwilliger spreekt in een getoonde, netjes getypte brief aan de familie thuis zijn verwondering uit over de situatie in Indonesië: ‘Ik snap er in elk geval geen klap meer van.’

Portret van een strijder, van kunstenaar Sudjojono. Beeld ANP
Portret van een strijder, van kunstenaar Sudjojono.Beeld ANP

Verwarrend stuk geschiedenis

Het was ook heel complex wat zich na de Japanse capitulatie afspeelde. Vrijwel direct na die capitulatie riep Soekarno in 1945 de Indonesische onafhankelijk uit. Pas vier jaar daarna werd die door Nederland erkend. Wat zich in de tussentijd afspeelde is voor veel Nederlanders een onbekend en verwarrend stuk geschiedenis.

Net als de slavernij was ook het kolonialisme (en zeker het einde daarvan) lange tijd zo ongeveer een taboeonderwerp in het Nederlandse geschiedenisonderwijs. Een recente eye-opener inzake de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd was voor veel lezers het ook Revolusi geheten (maar dan zonder uitroepteken dus) boek van David Van Reybrouck, nota bene een Belg.

Wie niet erg bekend is met wat zich in de tweede helft van de jaren veertig heeft afgespeeld in Indonesië, zal zich op de tentoonstelling wellicht wat overdonderd voelen. De informatiedichtheid is erg hoog. Trek er gerust een paar uur voor uit als je het hele verhaal tot je wil nemen en alles wil zien en lezen.

Tekeningen van de 11-jarige Mohammad Toha Adimidjojo. Beeld Rijksmuseum Amsterdam
Tekeningen van de 11-jarige Mohammad Toha Adimidjojo.Beeld Rijksmuseum Amsterdam

Niet alleen witte soldaten

Kunst onderbreekt hier en daar die enorme informatiestroom en brengt ook wat rust in de tentoonstelling. Aangrijpend is het getoonde werk vaak wel. Zie hoe de nog maar 11-jarige Mohammad Toha Adimidjojo in waterverf de Nederlandse aanval op Yogyakarta vastlegde. Wat zou er later van de jonge kunstenaar zijn geworden?

In een zaal vol revolutionaire kunst houden op een schilderij van Soerono Hendronoto twee soldaten van het Nederlandse leger vijf arrestanten onder schot en zien we nog eens dat dat leger niet alleen uit witte soldaten bestond.

Tuttig vergeleken bij al die opstandige kunst lijkt het portret dat Basoeki Abdullah in 1949, in opdracht, maakte van prinses Juliana. Het portret waarvoor de Indonesische kunstenaar naar Den Haag toog doet zelfs gedienstig aan. Maar kijk goed en zie dat in de donkere achtergrond van het schilderij een Javaanse vulkaan rookt.

Revolusi! Rijksmuseum, t/m 5 juni 2022

Discussie over de bersiap

Niet alleen het Nederlandse leger maakte zich tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd schuldig aan buitensporig geweld. Vooral jonge revolutionairen keerden zich uiterst wreed tegen iedereen die niet Indonesisch was: witte Nederlanders en Indo’s (voluit: Indo-Europeanen, personen van gemengde afkomst) waren er slachtoffer van, maar ook andere Europeanen, Chinezen en Molukkers.

‘Door Nederlanders wordt dit geweld, dat tot begin 1946 zou duren, ‘bersiap’ genoemd,’ meldt het Rijksmuseum in een tekstbord. De term (afgeleid van een Indonesische strijdkreet) wordt op de tentoonstelling dus wel degelijk gebruikt. Daar was vooraf discussie over. In een opiniestuk in NRC Handelsblad pleitte Bonnie Triyana, een van de Indonesische curatoren van de tentoonstelling, voor het schrappen ervan omdat hij de term racistisch acht. Een om diezelfde reden gedane aangifte tegen het Rijks door het Comité Nederlandse Ereschulden werd door het OM geseponeerd.

Hoeveel mensen werden vermoord tijdens de bersiap is niet bekend. Schattingen lopen op tot 35.000.

Meer over