PlusAnalyse

Mag Joris Luyendijk het over zijn zeven vinkjes hebben of moet hij als witte heteroman zijn mond houden?

null Beeld Nanne Meulendijks
Beeld Nanne Meulendijks

Bevoorrechte, witte mannen als Joris Luyendijk en Sander Schimmelpenninck die maatschappelijke problemen aankaarten: nobel of juist een nieuw probleem? ‘Gebruik je witheid, maar versterk niet de ongelijkheid die je zegt te bestrijden.’

Lorianne van Gelder

De grap van De Speld was eindelijk een bevestiging van de frustratie die Sander Schimmelpenninck en Joris Luyendijk moeten hebben gevoeld. ‘Maatschappelijke problemen opgelost met persoonlijke aanvallen op de mensen die problemen aankaarten.’ Sterker, Schimmelpenninck deelde het bericht met de zin ‘nu kan ik sterven’.

Kaart je eindelijk eens een belangrijk probleem aan waar de samenleving onder lijdt, krijg je de wind van voren: jij mag dit niet zeggen, jij witte geprivilegieerde, heteroman.

Sinds het verschijnen van het boek De zeven vinkjes van Joris Luyendijk klonk gejubel. Het boek gaat over hoe witte mannen als Luyendijk, met hoogopgeleide ouders en zelf een goede opleiding, vooral de wind mee hebben in de wereld. En dat wie die ‘vinkjes’ niet hebben veel meer tegenslag moeten ervaren en daardoor waardering krijgen voor hoe ver ze zijn gekomen.

Maar al snel klonk felle kritiek. Waarom was Luyendijk er nu pas achter dat hij zo bevoorrecht was? Zijn die ideeën die hij heeft niet enorm gestoeld op het werk van zwarte denkers? En al gauw richtten de pijlen zich ook op anderen.

Frustratie over de boodschappers

Want mag een man als Sander Schimmelpenninck, van adellijk bloed, zich wel druk maken om de kloof in de samenleving als hij zelf aan de gegoede kant staat? En is het verkeerd dat presentator Arjen Lubach thema’s als Zwarte Piet en de Chinese onderdrukking van de Oeigoeren onder de aandacht weet te brengen, zonder niet-witte activisten te noemen die het hier al langer over hebben?

Zo wordt de frustratie over de boodschappers van belangrijke thema’s bijna dominanter dan de thema’s zelf. Publicist Daniela Hooghiemstra noemde in een opiniestuk in NRC mannen als Luyendijk en Schimmelpenninck opiniemarketeers die vooral geld verdienen met hun maatschappelijke engagement. Anderen verweten vooral Luyendijk ‘verheven te zijn’ of twijfelden aan zijn oprechtheid.

Moet de afzender van een boodschap zelf weten hoe het is om slachtoffer van discriminatie of armoede te zijn voordat hij een probleem mag aankaarten?

null Beeld ANP / Jan Boeve
Beeld ANP / Jan Boeve

Probleem van iedereen

Zeker niet, zegt Sahar Noor, manager diversiteit en inclusie bij BNNVara. “Het is een probleem van ons allemaal.” Dus, natuurlijk moeten ook witte mensen een boodschap van racisme, discriminatie of andere vormen van ongelijkheid aankaarten. “Als je weet dat mensen eerder luisteren naar mensen die op hen lijken of tegen wie ze opkijken, dan weet je dat je invloed en macht hebt. Zet dat strategisch in om mensen aan het denken te zetten.”

Toch wekte Luyendijk meteen woede. De zeven vinkjes staat in elke belangrijke boekenverkoop top 10. Terwijl het stoelt op theorieën die al lang bestaan. Het werk komt neer op dat verschillende facetten van het leven in elkaar grijpen en bepalen hoeveel macht je hebt: zowel sekse, als huidskleur als opleiding als seksuele voorkeur kunnen je een voor- of achterstand geven. Intersectionaliteit wordt dat genoemd, zoals hoogleraar gender Gloria Wekker en de zwarte Amerikaanse hoogleraar rechten Kimberlé Crenshaw (in 1989 muntte ze de term) al decennia zeggen.

Cultuurhistoricus Nancy Jouwe, die twintig jaar geleden met Wekker een boek schreef over het onderwerp, kreeg het toen maar moeilijk verkocht. “Het is weinig tot niet opgepakt toen. Ik kan me een gesprek met een witte directeur van een groot museum herinneren die zei: ‘Het is ook zo’n ingewikkelde academische term’. Terwijl ik dacht: verdiep je erin. Luyendijk nam dezelfde ideeën en heeft er een versimpelde versie van gemaakt.”

Een recenter werk, Witte onschuld van Gloria Wekker, verscheen in 2016. Een jaar later veroorzaakte Hallo witte mensen over wit privilege van Anousha Nzume een kleine storm, maar kreeg lang niet even veel aandacht als De zeven vinkjes. Het feit dat Luyendijk summier is in zijn bronvermelding ‘riekt naar toe-eigening’ zei Wekker in een interview met tijdschrift OneWorld. Nancy Jouwe voelt dat ook. “Alle denkers en schrijvers bouwen voort op iemand anders. Maar wees wat netter in het vermelden aan wie je schatplichtig bent. Luyendijk probeert iets uit te leggen over zijn privilege, maar intussen reproduceert hij het, door het woord te nemen en het ook te houden, in plaats van het aan anderen te geven.” Politicus Sylvana Simons (Bij1) zei het in een veelbesproken Buitenhof-interview bondig: “Ik hoop niet dat we over vijftig jaar zeggen: ‘Alle kennis hebben we aan Luyendijk te danken’.”

Op naar de volgende gig

Op de inhoud van Luyendijks boodschap had Sahar Noor van BNNVara ook kritiek. Ook zij vindt dat hij meer had moeten laten zien aan wie hij schatplichtig is. Bovendien vindt ze de vinkjes beperkt. “Er zijn meer aspecten die ik zou toevoegen, bijvoorbeeld iemands gezondheid. Ook ontbreekt het wel of niet hebben van een (on)zichtbare beperking. Je kan in de samenleving op grond daarvan worden uitgesloten of gediscrimineerd.”

Maar je kunt ook zeggen: eindelijk komt de boodschap over. Luyendijk spreekt voor ceo’s van grote bedrijven, hij komt op nationale televisie, de kranten staan vol met zijn verhaal. Blijkbaar willen witte mensen vooral van andere witte mensen horen wat er schort aan de wereld, wat is daar mis mee?

Op zich niet zo veel, zegt Noor. “Maar hoe zorg je dat je boodschap niet alleen door mensen die op jou lijken wordt omarmd, maar ook door mensen die het daadwerkelijk ervaren? Hij zou moeten zeggen: ik deel het podium dat ik me heb toegeëigend met anderen die het levenslang al ervaren. Zoek een vorm van samenwerking.”

Voor Jouwe geldt vooral: je slingert een boodschap de wereld in en wat doe je erna? “Ga je na dit succesje door naar je volgende goedbetaalde gig waar je hoopt een groot publiek te winnen? Of heb je daadwerkelijk inzicht gekregen en ga je kijken hoe je ook op andere manieren kunt helpen?”

Sander Schimmelpenninck, die met Sander en de kloof laat zien dat er in Nederland grote verschillen zijn in vermogen en dat die kloof kwalijk is voor zowel de rijken als de armen, verbaast zich erover waarom hij überhaupt wordt aangesproken in dit culturele debat. Jouwe en Noor noemen hem niet, maar andere opiniemakers gaven hem wel vegen uit de pan voor zijn privilege als telg uit een rijke familie die het nu heeft over de kloof in de samenleving. “Ik ben al lang met dit onderwerp bezig en ik benader het puur rationeel en economisch. Het slaat echt nergens op dat ik in de identitaire hoek word gedrukt,” reageert hij. Hij noemt zich ‘een paard van Troje’. “Ik krijg mensen te spreken die anderen niet te spreken krijgen, omdat ze denken: hij is een van ons. En het is toch sterk om tegen je eigen belang in te pleiten? Dat je boven je eigen domme belang uitstijgt en opkomt voor het collectief.”

Videostill uit Sander en de Kloof Beeld VPRO
Videostill uit Sander en de KloofBeeld VPRO

Een witte man op de UvA

Wie ook werk wil maken van diversiteit is Machiel Keestra, de nieuwe Centrale Diversity Officer, voor drie jaar aangesteld om diversiteit bij de Universiteit van Amsterdam (UvA) te verbeteren. Alleen is ook hij wit, man, hetero, hoogopgeleid en van middelbare leeftijd. Alle vinkjes van Luyendijk, eigenschappen waarvan veel studenten en activisten onmiddellijk gingen steigeren.

Eerder zei hij erover in universiteitsblad Folia: ‘Mannen zoals ik laten het in deze context veelal afweten. Terwijl de verandering uiteindelijk ook gerealiseerd moet worden met behulp van al die witte (in mijn geval ook grijze) mannen van middelbare leeftijd in de organisatie. Het kan niet de bedoeling zijn dat de verantwoordelijkheid voor die veranderingen komt te liggen bij hen die het vaak toch al lastiger hebben.’ Hij zegt zich bewust te zijn van zijn privileges en zo veel mogelijk samenwerking te gaan zoeken.

Het valt Sahar Noor op dat veel mensen zich tegenwoordig verontschuldigen voor hun witheid. Onnodig, vindt ze. “Use your whiteness. Je huidskleur zegt niets over hoe inclusief je bent.” Ja, wie ervaringsdeskundige is, kan scherper ongelijkheid aankaarten – ook het punt dat Luyendijk maakt – maar een witte diversiteitsmanager is niet per definitie een probleem. “Ga je niet verexcuseren voor hoe je bent geboren. Maar besef dat je de macht en de invloed hebt om dingen te veranderen. En doe dat samen met de mensen over wie het eigenlijk gaat.”