PlusAchtergrond

Kolonisatie dehumaniseert de meest beschaafde mens, liet Aimé Césaire in 1955 al zien

Over het kolonialisme (1955) van dichter, essayist en politicus Aimé Césaire (1913-2008) is een van de belangrijkste klassiekers in het denken over kolonialisme. Zijn vurige manifest is nu in het Nederlands vertaald en ingeleid door filosoof Grâce Ndjako. In zijn woede is Césaire scherp, vilein en soms ook humoristisch.

Dieuwertje Mertens
Het Franse leger op Martinique, 1939. Aimé Césaire werd in 1913 in deze Franse kolonie geboren. Beeld Roger Viollet/Getty Images
Het Franse leger op Martinique, 1939. Aimé Césaire werd in 1913 in deze Franse kolonie geboren.Beeld Roger Viollet/Getty Images

De belangrijkste vraag die Aimé Césaire in zijn manifest wil beantwoorden is: ‘Wat is het kolonialisme in principe?’ Hij gaat op zoek naar een antwoord in de filosofie, sociale wetenschappen, geschiedenis en in historische getuigenissen van kolonisatoren. Césaire verzet zich tegen de westerse verdediging van het kolonialisme in de zogenaamd zuiver wetenschappelijke kennis, die slechts ‘telt, meet, classificeert en doodt’, en in het vooruitgangsdenken dat volgens hem een vorm van kapitalistisch opportunisme is.

Césaire werd in 1913 geboren op Martinique; op dat moment nog een Franse kolonie. Vanaf 1946 tot op de dag van vandaag geldt het eiland als Frans overzees gebied. In de jaren dertig vertrekt hij naar Parijs om te studeren. Na een vooropleiding wordt hij toegelaten aan de École normale superieure, een broedplaats voor Franse intellectuelen als Jean-Paul Sartre, Michel Foucault, Jacques Derrida, Simone Weil en Alain Badiou.

Négritude

In het voorwoord zet Ndjako de vormende jaren en het gedachtegoed van Césaire beknopt uiteen. Hoewel de basis van zijn denken wordt gevormd door de klassieke westerse filosofie, zoekt Césaire ook actief naar andere, ‘Zwarte’ bronnen (Zwart met een hoofdletter, in navolging van de politieke schrijfwijze van Ndjako) en hij leest zo veel mogelijk over de Afrikaanse prekoloniale geschiedenis.

Hij sluit onder meer vriendschap met Léopold Senghor, die later president van Senegal zou worden, en voert met hem veel gesprekken over wat Zwarte identiteit behelst. Later zou Césaire het begrip ‘Négritude’ gebruiken: ‘de bewustwording van de eigen Zwarte identiteit, en van de Afrikaanse singulariteit’, aldus Ndjako.

‘Een beschaving die niet in staat is problemen op te lossen die voortkomen uit haar functioneren, is een decadente beschaving’, begint Césaire zijn betoog als een redenaar die een volle zaal toespreekt. Het manifest zit vol herhalingen en overtreffende trappen waarvan je je met gemak de bezwerende uitwerking kunt voorstellen die dit kan hebben op een opgewonden menigte.

Aimé Césaire verzet zich tegen het idee dat de kolonisator wat kwam brengen. Beeld Assemblée Nationale
Aimé Césaire verzet zich tegen het idee dat de kolonisator wat kwam brengen.Beeld Assemblée Nationale

Hij concludeert dat Europa moreel en spiritueel onverdedigbaar is. Dáárom kon Hitler – een product van de bedorven moraal van het Westen – opstaan. Het nazisme bestond volgens Césaire al voordat het zich tegen de witte mensen keerde. Hij wijst op de gruweldaden, de slachtingen en onderwerping van de inheemse bevolking in de kolonies, zoals Indochina, Algerije en Afrika door de Fransen. Hij betoogt: Hitler is de straf die het Westen over zichzelf heeft afgeroepen.

Dubbele moraal

Medelijden heeft hij niet met Europeanen. Césaire wijst de witte mens op zijn dubbele moraal: hij vergeeft Hitler niet vanwege ‘het toepassen van kolonialistische werkwijzen tegen de witte mens die tot dan toe waren voorbehouden aan Arabieren, ongeschoolde contractarbeiders uit India en zwarten uit Afrika’.

Het humanisme waar het Westen van spreekt is volgens hem een ‘pseudohumanisme’; racistisch en beperkt tot de waarden van de westerse mens. Kolonisatie dehumaniseert de meest beschaafde mens. Hij schrijft: ‘En dat de kolonisator, die om zijn geweten te sussen zichzelf eraan went in de ander het beest te zien en zichzelf traint hem als zodanig te behandelen, objectief de neiging heeft zélf in een beest te veranderen.’

De westerling is in al zijn verschijningsvormen bovenal een vijand. In zijn woede is hij scherp, vilein en soms ook humoristisch: ‘(..) laten we verdergaan en doorzetten, voordat we afdwalen richting Algiers, Marokko en andere plaatsen, waar op het moment dat ik dit schrijf zoveel dappere zonen van het Westen, in de schemer van de gevangenis, hun inferieure broeders uit Afrika met onvermoeibare zorg overspoelen met deze authentieke tekenen van respect voor de menselijke waardigheid, die in technische termen ook wel ‘badkuip’, ‘elektriciteit’ en ‘hals van een fles’ worden genoemd’.

Fort-de-France, Martinique, april 1946. Vanaf 1946 tot op de dag van vandaag geldt het eiland als Frans overzees gebied. Beeld Earl Leaf/Michael Ochs Archives/Getty Images
Fort-de-France, Martinique, april 1946. Vanaf 1946 tot op de dag van vandaag geldt het eiland als Frans overzees gebied.Beeld Earl Leaf/Michael Ochs Archives/Getty Images

Zijn woede over het kolonialisme is op het moment dat hij dit essay schrijft nog vers, de dekolonisatie was in 1955 immers nog in volle gang. Voormalige Franse kolonies Marokko en Tunesië werden bijvoorbeeld pas in 1956 zelfstandig.

Prekoloniale samenlevingen

Het is belangrijk om Césaires manifest in de tijd te plaatsen. Hij schreef het tien jaar na de Tweede Wereldoorlog die ook wel werd gezien als het morele failliet van Europa. Het is een tijd waarin postmoderne denkers als Derrida en Foucault niet langer geloven in begrippen als ‘waarheid’ en ‘authenticiteit’. Césaire probeert juist de waarheid over het kolonialisme bloot te leggen (en gebruikt daarbij woorden als ‘objectief’) en de authenticiteit van de Afrikaanse identiteit te tonen.

Césaire maakt in zijn manifest niet altijd een even helder onderscheid tussen de (Franse) kolonies, waaronder bijvoorbeeld ook Indochina valt, en de Afrikaanse kolonies in het bijzonder. Wel spreekt hij van prekoloniale samenlevingen die democratisch, coöperatief en niet alleen prekapitalistisch, maar in de kern antikapitalistisch zijn. Hij spreekt van ‘natuurlijke economieën op de maat van de inheemse’. De inheemse culturen zijn door contact met het Westen niet geholpen, maar ‘vertrapt’.

Césaire verzet zich tegen het idee dat de kolonisator wat kwam brengen, zoals: kennis, vooruitgang, een hogere levensstandaard en infrastructuur. De kolonisator kwam vooral grondstoffen en gewassen hálen. De inheemse mens werd daarbij ingezet als ‘productiemiddel’. Duidelijk mag zijn dat Césaire, die ook een tijd lid was van de Franse Communistische Partij, zich had laten inspireren door het marxisme. Césaire brengt deze gedachte over de inheemse bevolking die geknecht wordt tot arbeidskracht ten behoeve van het Westen terug tot een wiskundige vergelijking: kolonisatie = dingificatie.(Oftewel: de mens wordt ‘een ding’, DM)

Poëtische kennis

Hoewel Césaire de waarheid over het kolonialisme wil blootleggen, geeft hij ook aan dat deze niet te kwantificeren is. Ndjako schrijft in het voorwoord: ‘In het essay Poésie et connaissance stelt Césaire dat we poëtische kennis nodig hebben voor een weergave van het werkelijke. Poëtische kennis reikt verder dan wat aan de oppervlakte waarneembaar is.’ Césaire: ‘Poëtische kennis ontstaat in de grote stilte van wetenschappelijke kennis.’

Hij vindt dat wetenschappelijke kennis de kennende mens scheidt van wat door hem gekend wordt om zo tot universele, objectieve kennis te komen. Césaire noemt dergelijke kennis ‘onpersoonlijk’. Hij beschouwt het gegeven dat zijn leven niet losstaat van zijn werk als een aspect van dekolonisatie.

Zijn werk en onderzoekshouding hebben veel navolging gekregen bij academici en deelnemers aan het publieke debat op het gebied van als dekolonisatie en (institutioneel) racisme, waarin ‘de kennende mens’ vanuit zijn eigen ervaring onderzoekt, spreekt en betoogt. Kijk naar zijn voormalige student Frantz Fanon (Zwarte huid, witte maskers, 1952) of naar Gloria Wekker, die met Witte onschuld (2016) een persoonlijk en activistisch onderzoek publiceerde en al net zo min gelooft in objectief onderzoek.

De invloed van Césaire is tot op de dag van vandaag aanwezig in vrijwel iedere vorm van denken over (de)kolonialisme. Hij was een van de eersten die haarfijn blootlegden met welke dubbele maatstaven Europese denkers en wetenschappers het kolonialisme hebben verdedigd en hij slaagde erin de gevolgen hiervan te tonen. Over het kolonialisme is om die reden een onmisbare bron voor wie het hedendaagse debat over dekolonisatie wil begrijpen.

null Beeld

Over het kolonialisme
Aimé Césaire
vertaald en ingeleid door Grâce Ndjako
De Geus, €11,99
104 blz.

Meer over