PlusTen slotte

Jan Wijn (1934-2022) was de leermeester van eigenlijk iedere Nederlandse toppianist

Een blessure belette hem om zelf toppianist te worden. In plaats daarvan werd Jan Wijn dé pianoleraar van de Nederlandse top. Dinsdag overleed hij op 88-jarige leeftijd.

Stefan Raatgever
Jan Wijn in 2020. Dat Wijn de klassieke muziek in zou gaan, lag in zijn jeugd allerminst voor de hand. Beeld Merlijn Doomernik
Jan Wijn in 2020. Dat Wijn de klassieke muziek in zou gaan, lag in zijn jeugd allerminst voor de hand.Beeld Merlijn Doomernik

Ook Nederlands bekendste pianoduo Arthur en Lucas Jussen kreeg advies van Jan Wijn. “Wat hij zegt, klopt gewoon,” zei Arthur twee jaar terug over zijn leermeester, die eigenlijk elke grote vaderlandse pianist lesgaf. Maar: “Jan is ontzettend nuchter. Er mag ook wel een schepje romantiek op tijdens een concert, vind ik.”

Voor die opvatting was bij Wijn ook ruimte, zei zijn broer Lucas: “Veel leraren hebben een enorm ego en beschouwen hun manier van lesgeven als de enige juiste. Jan dringt nooit zijn persoonlijke stijl op.”

Krullende hand

Die speelwijze waarin voor opsmuk weinig plek was, stoelde op de jaren waarin Wijn zelf concertpianist was. Begin jaren zeventig was hij op zijn top. Samen met Daniël Wayenberg, Theo Bruins en Cor de Groot vormde hij een generatie van groot talent.

Dat Wijn de klassieke muziek in zou gaan, lag in zijn jeugd allerminst voor de hand. Hij werd in Amsterdam geboren als zoon van een onderwijzeres en een tekenleraar. Lange tijd wilde hij zelf ook schoolleraar worden, maar vanaf zijn tienertijd kreeg de piano zijn interesse.

Hij stopte in de vijfde klas van het gymnasium met de middelbare school en begon aan het Amsterdamse conservatorium, waaraan hij in 1955 afstudeerde. Het duurde tot het einde van de jaren zestig voor hij de concerten mocht geven waarvan hij droomde. Het liefst speelde hij Chopin, maar ook Debussy en Liszt behoorden tot zijn favorieten.

Een virtuoze pianist met helder spel, zo werd hij getypeerd. Maar de grote internationale podia haalde Wijn nooit. In 1972 begon hij, zelf linkshandig, voor het eerst moeite te krijgen met zijn rechterhand. Die kromde, zijn greep werd kleiner. Hij begon toetsen te missen.

Het bleek de ouverture van een lange zoektocht naar de oorzaak. Pas na zeven jaar volgde de diagnose: focale dystonie. Daarmee was duidelijk: het naar binnen krullen van zijn hand was niet op te lossen. Een doodvonnis voor zijn podiumambities, maar tegelijk het begin van een andere grootse carrière.

Zijn reputatie als pedagoog werd in de jaren tachtig steeds groter, toen de ster van een van zijn eerste leerlingen, Ronald Brautigam, snel rees. Later volgden meer grote namen: Thomas Beijer, Hannes Minnaar, Wibi Soerjadi. Ze prezen zijn goede smaak en integriteit. “Het is veel moeilijker om zonder dan mét aanstellerij te spelen. Dat wist Jan,” zei Beijer bijvoorbeeld.

Terugkeer in de concertzalen

Hoewel Wijn tevreden was met zijn rol als pedagoog, gaf hij zijn hoop op een terugkeer in de concertzalen nooit helemaal op. Trouw bleef hij elke dag studeren. De etudes van Chopin vooral. In de jaren negentig trad hij ook weer een paar keer op. “Het was niet vlekkeloos. Dus dacht ik: nee, ik doe het niet meer,” zei hij tegen Sandra Kooke die het boek Speel! over hem schreef.

Toch bleef hij altijd hopen. Tot op hoge leeftijd zocht hij naar een oplossing voor die onwillige hand. Als hij zijn techniek nu eens zo wist aan te passen dat hij de octaven weer in volle glorie kon laten klinken? Misschien plattere vingers? Of een hogere pols?

Zijn laatste concertje speelde hij enkele jaren terug in de Haitinkzaal van het Conservatorium van Amsterdam. Niet perfect, maar toch, hij genoot. “Wat een mysterie is het pianospelen toch. Je denkt in je hersens een beweging en die zetten je handen om in een echte. Dat de hersens dat kunnen!”