PlusRecensie

Iván Fischers Negende van Mahler is van de buitencategorie

Het Boedapest Festival Orkest speelde gisteravond onder leiding van Iván Fischer een Negende symfonie van Mahler die tot de allermooiste in de geschiedenis van het Concertgebouw behoorde. Alleen jammer dat er maar 1250 mensen de zaal in mochten.

Erik Voermans
Iván Fischer. Beeld Getty Images
Iván Fischer.Beeld Getty Images

Het had wel iets symbolisch dat voorlopig het laatste avondconcert in het Concertgebouw Mahlers Negende symfonie moest zijn, het stuk waarin de componist afscheid neemt van alles wat hem lief was – de liefde, de muziek, het leven.

Misschien blijkt vandaag na de persconferentie van de demissionaire minister-president en de demissionaire minister van Volksgezondheid dat de soep niet zo heet wordt gegeten als zij wordt opgediend, maar het lijkt realistischer dat de concertganger, de musicus en de organisator het ergste moeten vrezen.

Dat kan er ook nog wel bij na het rampjaar 2020, toen ze bij het Concertgebouw eerst het Mahlerfestival (dat jaren van voorbereiding had gekost) moesten afgelasten en het jaar daarop ook het alternatieve, vervangende Mahlerfeest konden doorstrepen.

Onwelkome verrassing

Wat uiteindelijk overbleef waren deze week twee concerten op twee achtereenvolgende avonden met een symfonie van Mahler. Twee van de tien symfonieën; een Mahlerfestival op twintig procent van de sterkte. Het tweede concert, de Negende symfonie door het Boedapest Festival Orkest onder leiding van Iván Fischer, bracht nog een onwelkome verrassing: een volle zaal was in deze besmettelijke tijden niet toegestaan en dus moesten er mensen worden afgebeld. Er mochten maar 1250 man naar binnen.

Die 1250 mensen hadden geluk. Deze Hongaarse Negende was nog mooier dan de uitvoering van Fischer en de zijnen die in 2013 voor een diepe collectieve ontroering had gezorgd. Wat kunnen we ervan zeggen zonder de mensen die moesten worden afgebeld een heel vervelend gevoel te bezorgen? Dit was een Negende van een absolute buitencategorie. Fischer kwam wat betreft impact dicht in de buurt van de aangrijpende uitvoering in 2018 van het Concertgebouworkest onder Bernard Haitink, die in het laatste deel, waarin de muziek voor je ogen verpulvert tot het stof waarnaar wij allen zullen wederkeren, een nóg diepere laag wist aan te boren dan Fischer deed. Bij Haitink was er de volledige verzoening met het onvermijdelijke; bij Fischer bleef er tot op het laatst nog levenslust, al was de oneindige weemoed die hij wist op te roepen ook ondraaglijk zo mooi. En wat speelden die Hongaren onwaarschijnlijk goed.

Ondoordacht vibrato

Wat minder memorabel was daags tevoren de Vierde symfonie door het Zweeds Radio Symfonieorkest onder Daniel Harding. Helemaal geen slecht orkest, verre van zelfs, maar vergeleken bij de Hongaren was dit toch echt een klasse minder. Ook de bijdrage van sopraan Johanna Wallroth in het laatste deel, Das himmlische Leben, was niet ideaal, vanwege een ondoordacht vibrato.

Het programma begon dinsdag met orkestliederen uit Des Knaben Wunderhorn, gezongen door de Duitse bariton Christian Gerhaher. Hij begon met een minitoespraakje: ‘Ik wil dit zingen ter herinnering aan de onvergetelijke Bernard Haitink.’ Dat was een mooi gebaar.

Gerhaher is een wonderlijke zanger. Als hij zacht zingt, heeft hij de mooiste stem van de hele wereld, maar zodra hij boven mezzoforte komt, wordt zijn klank ronduit lelijk en gemaniëreerd.

In het laatste lied, Urlicht, raakte hij een gevoelige snaar: ‘Der Mensch liegt in grösster Not, der Mensch liegt in grösster Pein.’ Zeg u dat wel.

Meer over