PlusDocurecensie

Hoe Mick Jagger gitarist Ron Wood behoedde voor de totale ineenstorting

Vroeg in de jaren zestig zag Ron Wood de Rolling Stones optreden en wist hij: in die band speel ik ooit. Het duurde even voor het zover was , maar in 1975 vroegen de Stones hem als opvolger van gitarist Mick Taylor. Een hele trits gitaristen had auditie gedaan voor de baan, maar het werd toch gewoon ‘Woody’, al lang een bekende van de band en een persoonlijke vriend van Keith Richards.

In de aan Ron Wood gewijde documentaire Somebody Up There Likes Me wordt tussen neus en lippen door verteld dat de Stones hem eind jaren zestig al serieus hadden overwogen als opvolger van de verdronken Brian Jones. Toen uit het Stoneskamp iemand een balletje opgooide bij Ronnie Lane, medebandlid van Wood in The Faces, had die echter gezegd: “Nee, is niks voor hem, hij heeft druk genoeg met zijn eigen ­dingen.”

Ron Wood, inmiddels 73, kan er na al die jaren wel om lachen. Er wordt vaker gelachen in Somebody Up ­There Likes Me, maar over het algemeen is het een opvallend ernstige documentaire. Regisseur is Mike Figgis, die vooral bekend is van Leaving Las Vegas, de speelfilm met in de hoofdrol Nicolas Cage als alcoholverslaafde. Ook in zijn portret van Ron Wood zoomt hij in op diens verslavingen: aan alcohol, maar ook aan allerhande drugs.

Het alcoholisme kreeg Wood min of meer van huis uit mee; zijn pa was een zuipschuit, zijn twee oudere broers dronken ook veel. Terugkijkend op zijn drugsverleden zegt Wood dat hij vooral de rituelen die bij het gebruik hoorden aantrekkelijk vond: het rollen van een joint, het hakken van coke, het op wat voor manier dan ook voorbereiden van heroïne. Van die heroïne gebruikte hij op zeker moment meer dan ­collega-Stone Keith Richards.

Opvallend: binnen de Rolling ­Stones was het Mick Jagger die hem als een grote broer behoedde voor de totale ineenstorting.

Nu is Ron Wood clean. Zelfs het roken gaf hij na 54 jaar op; hij moest wel nadat longkanker hem een long had gekost. Hij vindt het achteraf bezien een wonder dat hij er nog steeds is. En dan zegt hij waar de docu zijn titel aan ontleent: “Daar­boven moet iemand veel van me ­houden.” (Somebody Up There Likes Me is trouwens ook de titel van een film met Paul Newman uit 1956).

Documentaires over popsterren voltrekken zich vaak in razende vaart: quoteje hier, oud fragmentje daar en weer door. Figgis doet het aanzienlijk rustiger aan. Hij heeft niet heel veel mensen gesproken voor zijn film, maar wist wel alle Stones (minus zuurpruim Bill Wyman) te strikken én Rod Stewart (met wie Ron Wood speelde in The Jeff Beck Group en The Faces). Dat zijn mannen die weten hoe je een verhaal vertelt en ze mogen het ook elke keer op hun gemak helemaal uitvertellen.

Als ex-kunstacademiestudent Ron Wood geen muziek maakt, tekent en schildert hij. Is hij daar goed in? Volgens kunstenaar en vriend Damien Hirst wel. “Hij kan beter schilderen dan ik,” zegt Hirst zelfs in de film. Mike Figgis filmde Wood op atelierbezoek bij Hirst, waar hij de kwasten en penselen die hij van de kunstenaar cadeau krijgt meteen even wil uitproberen. “Pas op je kleren, hoor,” zegt Hirst doodserieus.

Somebody Up There Likes Me

Regie Mike Figgis
Met Ron Wood, Mick Jagger, Keith Richards, Rod Stewart
Te zien in Arena, City, Euroscoop, Melkweg, De Munt, Tuschinski

Meer over