Babs Gons. Beeld Artur Krynicki
Babs Gons.Beeld Artur Krynicki

Het leek wel een gedicht in plaats van de menukaart die hij voorlas

PlusBabs Gons

Babs Gons

“De straatstenen,” zegt mijn moeder, “zoveel leuker dan in Nederland.”

“En kijk die zebrapaden,” roep ik. Ze lijken als een plak kauwgom over de kinderkopjes uitgesmeerd te zijn.

“Die muren,” zegt ze, “ook zoveel leuker.”

“Die deurklink!” Ik wijs naar een koperen zeemeermin die aan de deur van een visrestaurant prijkt. “Zo leuk!”

Het houdt maar niet op, alles in Brussel vinden we aardiger, mooier en gezelliger dan thuis. De gevels, de lantaarnpalen, de mensen, ze lachen ons toe. De bus die ons bijna van de sokken rijdt, ook leuker. Sokken liggen ook veel mooier in de etalage dan thuis. Zelfs de ruzie die twee mensen door een openstaand raam lijken te hebben, klinkt als iets waar je bij wil zijn. De medeklinkers klinken onschuldiger, de klinkers als belletjes. We onderdrukken de neiging om aan te bellen met wat macarons en muntthee en te vragen of we er even bij mogen zitten.

Net als we in slaap zijn gevallen in onze prachtige hotelkamer, worden we wakker gemaakt door toeterende auto’s. Irritant, maar al snel zijn we het erover eens dat het schattiger klinkt dan thuis.

Van een leesclub in Brussel reis ik met vriend naar de afdeling neerlandistiek aan de Universiteit van Boedapest. We worden ontvangen door een zeer enthousiaste faculteit Nederlands. Tijdens de voorbereiding op mijn lezing vraag ik me af hoe goed de Hongaarse studenten de taal beheersen, maar al snel wordt duidelijk dat er heel behoorlijk gesproken wordt. En dat niet alleen, het valt me op hoe mooi mijn moedertaal als tweede, of derde, taal uit deze monden klinkt. Het dwingt me opnieuw te luisteren naar de glooiingen en welvingen van de woorden.

Hoe kan het toch dat talen zo mooi en verrassend klinken uit monden die nieuw zijn? Ik hoorde eens het Duits uit de mond van een West-Afrikaanse man en het leek wel een gedicht in plaats van de menukaart die hij voorlas. Ik hoorde eens het Frans bij monde van een Algerijnse vrouw en ik wilde dansen op haar intonatie.

In de workshop performance die ik later op de dag geef, is een Hongaars meisje aangeschoven dat nog maar een semester Nederlands volgt. Ik geef haar een gedicht van Judith Herzberg om te oefenen met de klank en nadat ze wel zes keer de zinnen ‘Je zoenen zijn zoeter dan zoeter dan honing’ heeft herhaald begint er een zachte melodie in te sluipen. We luisteren allemaal verrast naar haar als ze voor de rest van de groep durft voor te dragen.

Die nacht in het hotel horen we de raarste geluiden. De receptionist vertelt ons de volgende ochtend dat de naastgelegen school een keer per jaar de hele nacht door sportactiviteiten organiseert. Irritant, maar zelfs dat kabaal klonk toch stukken vriendelijker in het Hongaars.

Spokenwordartiest, schrijver en docent Babs Gons maakt ons deelgenoot van haar belevenissen. Lees al haar columns hier terug.
Reageren? b.gons@parool.nl

Meer over