PlusInterview

Harry de Winter is ongeneeslijk ziek, maar maakt nog één seizoen Wintertijd: ‘Ik ben slecht in lijden’

Televisiemaker Harry de Winter (72) is ziek, hij heeft longvlieskanker. Geen arts kan voorspellen hoe lang hij nog te leven heeft. Een bucketlist heeft hij niet: ‘Ik heb mijn hele leven kunnen doen wat ik wil, dat is het voordeel van geld hebben.’

Jorinde Benner
Harry de Winter: ‘Doordat ik weet dat het binnen afzienbare tijd is afgelopen, sta ik anders in het leven, ik kijk overal scherper naar.’ Beeld Malou van Breevoort
Harry de Winter: ‘Doordat ik weet dat het binnen afzienbare tijd is afgelopen, sta ik anders in het leven, ik kijk overal scherper naar.’Beeld Malou van Breevoort

Hij belt vanuit zijn huis op Bonaire. Sinds Harry de Winter zich vijf jaar geleden grotendeels terugtrok uit de tv-wereld, woont hij afwisselend daar, in Amsterdam en in zijn vakantiehuis in Spanje. Zijn voornaamste bezigheid: kunst maken. Vaak samen met zijn vriendin, actrice Yvonne van den Hurk (61). Zij schildert.

Dit najaar hoopt De Winter voor het eerst te exposeren in Nederland. Hoopt, want de tv-producent is ziek. Longvlieskanker, beter bekend als asbestkanker. Niemand weet hoe hij eraan komt of wat de prognose is. Vooralsnog houdt immunotherapie hem op de been.

“Het is een raar leven,” opent hij het gesprek. “Er hangt een zwaard van Damocles boven mijn hoofd, maar eigenlijk wil ik er nog niets van weten.” Hij twijfelde even of hij naar buiten moest treden met zijn ziekte. Hij vindt het spannend. Maar Omroep Max weet van zijn ziekte en vroeg hem nog één keer een seizoen Wintertijd te maken.

In totaal maakte hij 185 afleveringen, met grote namen als Cliff Richard en Salman Rushdie, maar ook Sylvia Millecam, Arjen Lubach, Harry Mulisch en Youp van ’t Hek. In de laatste aflevering – het seizoen begint deze zaterdag – is hij zelf te gast, geïnterviewd door Jeroen Pauw. “Dan moet ik dus wel met de billen bloot.”

De zin van het leven

Het mooie van Wintertijd vindt hij dat mensen bereid zijn echt iets over hun eigen leven te vertellen, zegt De Winter. “Ik denk niet dat Maarten van Rossem bij Op1 in huilen zal uitbarsten, dankzij muziek gebeurt dat bij mij wel.” Met zijn eigen eindigheid voor ogen, vliegt hij de vragen dit laatste seizoen wel anders aan, denkt hij. “Ik vraag wat vaker naar de zin van het leven, en of mensen bang zijn voor de dood. Doordat ik weet dat het binnen afzienbare tijd is afgelopen, sta ik anders in het leven, ik kijk overal scherper naar.”

In januari 2020 ging hij op vakantie naar Nieuw-Zeeland. “Ik was er pas een dag, voelde me benauwd. Ik bleek vocht in mijn longen te hebben. Artsen stuurden me terug naar Nederland. In het VU zeiden ze na twee maanden onderzoek: het is in elk geval geen kanker, ik zou maar op vakantie gaan.

Corona brak uit, en eind mei keerden we terug uit Bonaire. Daar stak dezelfde arts die stelde dat ik geen kanker had, na een kijkoperatie zijn hoofd door de gordijnen rond mijn bed en zei: Harry, het is heel slecht. Het is toch kanker, en het is ongeneeslijk.”

Anticonceptiepil

De Winter voelt zich nog niet ziek. Zijn behandelaar in het Antoni van Leeuwenhoek, professor Paul Baas, is optimistisch. “‘Nou, nou, dodelijk, we proberen er iets chronisch van te maken,’ zegt die. Met allerlei nieuwe therapieën valt de boel wellicht langer te rekken, maar De Winter kiest voor kwaliteit van leven. “Ik ben slecht in lijden. Als ik griep heb, hoor je me de hele dag zeuren.”

Over zijn kunst: “Sinds 2000 maak ik kistjes met scènes. Diorama’s, zoals ze officieel heten. Én prints daarvan. Zo lang ik me kan herinneren verzamel ik ‘troep’ op rommelmarkten. Poppen, opgezette dieren. Die etaleer ik.” De liefde voor kunst stamt uit zijn kindertijd. “Een psychiater zou er vast heel interessante dingen over kunnen zeggen.”

Na anderhalf jaar in een kibboets, koos hij voor een studie economie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij trad daarmee in de voetsporen van zijn vader, die als chemicus in de jaren zestig de anticonceptiepil uitvond bij Organon, toen een van de grote bedrijven in Oss, waar hij opgroeide. “Geen makkelijke tijd, als Joods jongetje in een katholiek dorp. De rol van mijn bescheiden vader ontdekte ik pas toen Organon na zijn dood een persbericht deed uitgaan, waarin ze hem ‘de uitvinder van de anticonceptiepil’ noemden. Tot die tijd deed hij het voorkomen alsof hij er gewoon met een team aan had meegewerkt.”

U wilde per se naar Amsterdam.

“Ja, elke smoes om maar weg te komen uit Oss. Ik haalde mijn kandidaatsexamen economie – studeerde ’s ochtends en speelde ’s middags gitaar in het Vondelpark – en al snel werd ik ontdekt als dj voor studentenfeesten. Kwam opeens iemand van de NCRV naar me toe, of ik voor hen de muziek op de radio wilde uitzoeken. Voor ik het wist presenteerde ik er een radioprogramma. Ik was nog helemaal geen muziekfreak, had misschien vijftien lp’s. Maar draaien vond ik leuk; ik doe het nog steeds – onder andere op de 40Up-feesten, die ik in 2006 bedacht.”

In 1975 kreeg hij zijn eigen radioprogramma bij de NCRV, De Filter Furore Show. Toen de NCRV het programma stopte – ze vonden dat er te veel ‘een wietlucht’ rond het programma hing – richtte hij in 1977 IDTV op. “Kenden ze niet in Nederland, de omroepen produceerden toen nog al hun programma’s zelf. Eerst maakte ik jongeren- en de eerste videoclipprogramma’s. Registreerde concerten van Prince en Madonna en Torhout-Werchter. Tot IDTV in de jaren negentig Lingo kocht.”

Was dat echt een ongelukje, of pure strategie?

“De omroep zei: er komt commerciële televisie aan, we hebben een spelletje nodig. Ik was in Los Angeles voor de registratie van de concerten van Prince. Daar werd me een spelshow aangeboden. Dat was Lingo. De grap: een paar weken geleden verkocht IDTV de rechten alsnog aan Amerika, CBS. Terwijl toen ik het daar aanbood, de Amerikanen zeiden: ‘O no, this is much too complicated for American housewives.”

In Nederland en veel landen daarbuiten, werd Lingo meteen een hit.

“Dat was de reden dat we binnen IDTV ook andere series een succes konden maken. Pleidooi. Oud Geld. Kwaliteitsseries waar de omroep eigenlijk net niet genoeg geld voor had, maar die we met de winst van Lingo konden sponsoren.”

Uiteindelijk deed hij zijn productiebedrijf eind jaren negentig voor 60 miljoen gulden van de hand en belandde De Winter zelfs even in de Quote 500.

Waar bent u het meest trots op?

“Trots – ik vind dat een moeilijke term. De laatste jaren heb ik met mijn bedrijf Sarphati Media mooie documentaires gemaakt. Retour hemel en De keuken van Westerbork, bijvoorbeeld. Wie is de Mol, Pleidooi, Oud Geld, Taxi, Triviant – dat zijn allemaal programma’s die ik maakte met IDTV en die echt eeuwigheidswaarde hebben. Die waren mogelijk dankzij het succes van Lingo.”

“Ik heb ook een aantal kunstwerken gemaakt waar ik blij mee ben. Ik heb in elk geval nergens spijt van. Heb altijd gedaan wat ik zelf wilde. Ik koester meer een totaalgevoel: ik heb het goed gedaan. Denk daar een grote, gelukkige familie bij en ik heb een leven om trots op te zijn.”

Daar vertelt u nooit iets over, uw gezinsleven.

“Nou, dat bestaat uit mijn ex-vrouw, van wie ik een jaar of tien geleden scheidde – we hebben er heel lang over gedaan omdat we het als een formaliteit zagen. We hebben twee kinderen: Gila, die drie zonen heeft. En Daan, die in Los Angeles woont en een dochter heeft die net 1 is geworden. En dan is er Yvonne, natuurlijk. We leiden een dynamisch leven, reizen veel en doen veel samen.”

Wat hoopt u dat u uw kinderen en kleinkinderen hebt meegegeven?

“Zorg goed voor je omgeving, lees de krant, verbeter de wereld zoveel je kunt. Vergeet vooral niet de dag te plukken en stort je niet in een baan die je klote vindt omdat je later rijk wilt zijn. En verder erven ze vooral een hoop Harry-kistjes.”

Uw ouders werden 92 en 94.

“Nadat ze een gruwelijke oorlog hadden overleefd. Mijn vader Max verloor zijn vrouw en baby in Auschwitz, mijn moeder Bertine haar partner Harry. Het is een wonder dat ze erin zijn geslaagd drie jaar na de oorlog een nieuw leven te starten en mijn broer Micha en mij ook nog harmonieus op te voeden. Er werd wel over de oorlog gesproken thuis, maar zodra het te diep ging, zei mijn vader: ‘Ik ga even een eitje bakken.’”

“In 2002 heb ik mijn vader meegenomen op een treinreis van Johannesburg naar Kaapstad. Vier dagen onder elkaar. Daar sprak hij voor het eerst over de details van de oorlog. Ik heb het gefilmd. Het leerde me over de bovenmenselijke kracht om dit soort dingen te kunnen overleven zonder gek te worden.”

Jullie waren een links gezin. Kreeg u dat politieke en maatschappelijke engagement mee van uw ouders?

“We luisterden elke dag naar het nieuws, lazen van jongs af aan de krant. Verbeter de wereld, begin bij jezelf, was hun motto. Ze leerden ons ook dat kritisch praten over Israël natuurlijk niet hetzelfde is als antisemitisme. Dat neemt niet iedereen me in dank af.”

Hoe kijkt u naar de komende tijd? Zijn er dingen die u nog wilt doen?

“Nee. Of nou ja, ik wil nog leven. Carpe diem. Met Yvonne, familie, vrienden. Toen ik anderhalf jaar geleden mijn zoon vertelde dat ik ziek ben, vroeg hij: heb je een bucketlist? Maar ik heb mijn hele leven al gedaan wat ik wilde. Als ik naar Japan wilde, ging ik naar Japan. En als ik iets wilde maken, maakte ik het. Dat is een voordeel van geld hebben.”

Als dit interview voor Wintertijd was geweest, met welk nummer zouden we dan nu besluiten?

A whiter shade of pale van Procol Harum. Ik krijg kippenvel van dat nummer, en het past nu het best bij mijn gevoel. Een prachtige combinatie van klassiek en pop.”

Een paar uur na het interview, half februari, mailt De Winter. ‘Nou, alsof de duvel ermee speelt, dit bericht komt nu binnen: ‘Procol Harumvoorman Gary Brooker (76) overleden aan kanker.’

Het nieuwe seizoen van Wintertijd is vanaf zaterdag 12 maart wekelijks te zien om 22.05 uur op NPO2.

Meer over