PlusBoekrecensie

Gebundelde interviews met dichters vormen rommelige bundel met prachtige uitschieters

Hester van Hasselt en Bianca Sistermans portretteerden 29 dichters in woord en beeld. De vraag daarbij was: hoe ontstaat poëzie? Dieuwertje Mertens mist de balans, maar leest ook prachtige, intieme gesprekken.

Dieuwertje Mertens
null Beeld

‘Sinds het journaal is vernieuwd zien ook de mensen er anders uit.’ ‘Vind je het anders goed als ik iets te vroeg kom?’ ‘Hoe een kind slaapt, overdwars.’ ‘Over de geur van stenen.’; zomaar een greep van het stapeltje briefjes met ‘scènes, dialoog, idee voor film, een enkele zin’ uit het ladenvakje op het bureau van de onlangs overleden K. Schippers. ‘Iedere notitie is eigenlijk een mogelijk begin van veel,’ zei hij in 2016 in een interview met Hester van Hasselt.

Dit is een uitspraak die resoneert en veel zegt over zijn werkwijze. Hij vertelt dat hij vaak schrijft over dingen die iedereen kent: ‘Dat wat dichtbij is kan hoogst wonderlijk in elkaar zitten. (..) Naar het een kijk je niet en naar het ander wel.’

Op de bijbehorende foto’s van fotograaf Bianca Sistermans zien we stapeltjes met vulpen geschreven briefjes en kijken we K. Schippers, die door een notitieboekje bladert, op zijn kruin. ­Samen maakten Van Hasselt en Sistermans Een mogelijk begin van veel. 29 dichters aan het werk. ‘De vraag was niet ‘wie is de dichter’ maar ‘hoe ontstaat poëzie’,’ schrijven ze in het voorwoord.

Hoe de selectie van dichters tot stand kwam, is onduidelijk, hoewel journalistieke opdrachten voor Poëziekrant, Awater en NRC Handelsblad een leidend criterium lijken te zijn geweest. Er waren echter ook portretten die ‘de selectie niet haalden’ en dichters die niet werden geportretteerd. Inmiddels overleden dichters als bovengenoemde, Hafid Bouazza en Menno Wigman komen aan bod, maar ook jonge dichters als Joost Oomen en Radna Fabias, gevestigde namen als Eva Gerlach en Remco Campert en vreemde-eend-in-de-bijt de Syrisch-Palestijnse Ghayath Almadhoun die in het Deens (!) dicht. De interviews dateren van 2013 tot 2021.

Poëzie-encyclopedie

Ook ik heb ondertussen een aardige verzameling aangelegd van gebundelde interviews met kunstenaars en schrijvers; diepgaande gesprekken over het schrijven of creëren zelf, de rondjes door de stad, de ingevingen, de krabbels in notitieboekjes, het gemiereneuk over de het juiste woord, de volmaakte zin, de noeste arbeid achter het bureau.

Als het goed is, zijn dergelijke interviews tijdloos en zegt hooguit de selectie iets over de tijdgeest. De reflecties en toelichtingen van de maker zijn interessant, omdat ze iets proberen te onthullen van een proces dat zich buiten het zicht van de lezer voltrekt, maar waarvan het eindresultaat magisch kan zijn.

Poëzie is volgens mij een verheven vorm van taalgebruik (althans, voor wie bereid is zich mee te laten voeren), omdat poëzie in staat is meer uit te drukken dan er staat. Of zoals Mustafa ­Stitou (linkerhand gevouwen tegen zijn slaap, licht loensend, uitdagende blik) in 2013 tegen Van Hasselt zegt: ‘Een gedicht dat ik heb geschreven en dat ik geslaagd vind, weet altijd meer dan ik. Geloof me. Als dat niet zo was, was het een doods gedicht.’

Stitou typeert zijn poëzie als volgt: ‘Ik schrijf een soort onnadrukkelijke poëzie. Ik gebruik bijvoorbeeld niet veel metaforen, mijn taal is niet obscuur maar neigt naar spreektaal. In het Engels heb je daar een mooie uitdrukking voor: plain style.’ Direct denk ik aan zijn bundel ­Varkensroze ansichten en weet ik precies wat hij bedoelt.

Triple-interviews

Maar heeft iedere lezer zo’n poëzie-encyclopedie in zijn hoofd? Achterin Een mogelijk begin van veel is van iedere dichter een gedicht opgenomen. Waarom niet bij het interview? Dat ­gemis is des te groter bij interviews waarin ­wonderwel geen enkele dichtregel voorkomt, niet eens als uitleg of illustratie van de dichter.

Zo vallen er nog wel een paar zaken af te dingen op de bundel. De verwerking van de interviews, de interviewstijl, insteek en lengte lopen nogal uiteen, wat een rommelige indruk maakt. De bundel begint met serie fullquote interviews over dichten in algemene zin. Er zijn ­triple-interviews waarin drie jonge dichters (Bernke Klein Zandvoort, Kira Wuck en Lieke Marsman), drie dichters van jeugdpoëzie (Ted van Lieshout, Edward van de Vendel en Bette Westera) en drie dichter-vertalers (Anneke Brassinga, Hafid Bouazza en Miek Zwamborn), worden samengebracht in een thematisch stuk over respectievelijk’ dichten’ en ‘vertalen’.

De dichters gaan niet echt met elkaar in ­dialoog, dus: wat is de toegevoegde waarde van deze samenvoeging? Sommige vraag-antwoordinterviews zijn geschreven aan de hand van het verschijnen van een nieuwe bundel, die nu, ten tijde van deze publicatie, als de dichter in kwestie al weer een (paar) bundel(s) verder is, minder relevant aandoet.

En om nu nog een stuk te lezen over hoe Anne Vegter (zes jaar geleden) haar positie als Dichter des Vaderland aanvliegt, voelt gedateerd. Je zou meer willen weten over haar dichterschap in bredere zin. Als lezer krijg je de indruk dat de bundel in eerste instantie en vóóral een port­folio is van journalistieke opdrachten.

Bernke Klein Zandvoort Beeld Bianca Sistermans
Bernke Klein ZandvoortBeeld Bianca Sistermans

Mooi en intiem gesprek

Jammer dat er niet wat meer aandacht is besteed aan een evenwichtiger insteek en aanpak, want het onderwerp leent zich zo goed voor tijdloze gesprekken die voorbijgaan aan de waan van de dag. Alleen de portretten van Sistermans zijn consistent in stijl, met een aantal wonderschone uitschieters, zoals het portret van Bernke Klein Zandvoort.

Dat neemt niet weg dat de bundel ook veel ­interessante interviews bevat, zoals het indringende gesprek dat Van Hasselt met dichter en componist Rozalie Hirs voert over haar relatie met het gedicht: ‘Als ik een gedicht schrijf, maak ik iets wat nog niet bestaat, ik treed in dialoog met het onbekende. Ik wil het gedicht leren kennen, ik zeg: “Ja, ik houd van jou, gedicht. Vertel mij, wie ben jij?” Het gedicht spreekt terug, het wordt zichzelf terwijl ik het schrijf, en het beïnvloedt mij. Ik leg het natuurlijk de woorden in de mond, dat doe je als schrijver, maar tegelijkertijd ben ik op zoek naar het nieuwe.’

En dat vindt Hirs in zinnen zoals: ‘sporen van liefde. in de wasbak je zeep, scheerschuim. in de lade je sokken./ op de vloer de vieze. schrijven ‘jij’ in de kamer. niet echt jij <hier>. hij evenmin. (Verdere bijzonderheden, 2018).

Hoe anders is de aanpak van Kreek Daey ­Ouwens met dichtregels als ‘Ver weg is mijn moeder/ Ze is jong en verlegen/Ze ligt in haar kist met een kleine viool’. De dichter, die pas op haar 44ste debuteerde, keert altijd terug naar haar jeugd. Ze groeide op met het Limburgse dialect. Haar omgeving bediende zich om de haverklap van metaforen als de dingen niet rechtstreeks gezegd konden worden. Van Hasselt voert een ontzettend mooi en intiem gesprek met haar over haar wording in taal, dat nog lang na blijft zingen.

En zo laat Een mogelijk begin van veel zien hoe veelzijdig de Nederlandse poëzie is, en wat een rijkdom dat eigenlijk is voor zo’n klein taal­gebied.

Een mogelijk begin van veel. 29 dichters aan het werk

Hester van Hasselt en Bianca Sistermans
Querido, €26,99
255 blz

Meer over