PlusInterview

Gabriela García over haar debuutroman Van vrouwen en zout: ‘De nostalgie naar het Cuba van toen is gecultiveerd’

Gabriela García. Beeld Andria Lo
Gabriela García.Beeld Andria Lo

In haar debuutroman Van vrouwen en zout vertelt Gabriela García het verhaal van zes generaties vrouwen, vanaf het Cubaanse Camagüey anno 1866 tot het Miami van nu. ‘Ik wilde eerlijk schrijven over de gemeenschap.’

Het Parool

Ze heeft haar boek ­opgedragen aan ‘mi abuelita Iraida Rosa López,’ haar 101-jarige grootmoeder die na de Cubaanse revolutie in 1968 emigreerde naar de Verenigde Staten. Gabriela García (37) groeide op in Miami als dochter van een alleenstaande moeder, met een zus en twee stiefzussen en haar oma in de buurt.

“Een echt matriarchale familie, ik ben te midden van vrouwen opgegroeid en heb nooit het gevoel gehad dat ik iets miste. Mijn boek is niet autobiografisch, maar dat is wat ik wilde weerspiegelen. De vrouwen in mijn boek leven wel in een patriarchale en misogyne omgeving, in een wereld waar geweld tegen en misbruik van vrouwen heel gewoon is. Maar ik heb me op hen gefocust en hoe zij standhouden en overleven binnen die bestaande structuren.”

In de stamboom voorin Van vrouwen en zout zijn dan ook alleen haar vrouwelijke hoofd­personen opgenomen: sigarenroller María ­Isabel, die in 1866 in Camagüey in centraal Cuba te maken krijgt met de onafhankelijkheidsstrijd tegen Spanje, en haar dochter Cecilia; de op Cuba achtergebleven grootmoeder Dolores, die vervreemd is van een van haar dochters, Carmen, die op haar beurt in Miami moet toezien hoe haar dochter Jeanette wegdrijft in haar verslavingen. Daarnaast is er de verhaallijn van de Salvadoraanse illegale Gloria en haar dochtertje Ana, die worden opgepakt en uitgezet – naar Mexico.

García schetst zo het immigrantenbestaan in vele facetten; de kloof tussen legaal en illegaal, maar ook de hiërarchie in de Cubaanse samenleving in Miami, waar de eerste golf emigranten geldt als de ‘Cubaanse elite’ en waar wordt neergekeken op de vluchtelingen die later werden opgenomen. Maar overal is het zout; het zout van zweet, het zout van tranen, het zout van de Atlantische Oceaan die de Malecón, de zeedijk en boulevard van Havana, overspoelt.

Ze is overrompeld door de internationale be­langstelling voor haar roman, die begon als een aantal losse verhalen tot ze zichzelf de vrijheid durfde geven die steeds verder te vervlechten. “Ik wist van meet af aan dat ik geen lineair verhaal wilde vertellen, mijn boek is gefragmenteerd, zoals ook herinneringen dat zijn. Zo begon ik de verschillende verhaallijnen te koppelen en kon ik ook de andere clashes laten zien, zoals die tussen moeders en dochters.”

U begint met het opmerkelijke verhaal van María Isabel, de enige vrouwelijke arbeider in de sigarenfabriek. Daar wordt voorgelezen uit werk van Victor Hugo, Alexandre Dumas, William Shakespeare. Hoe ontdekte u dat boeken destijds werden gebruikt als afleiding, en ter verheffing?

“Tijdens een bezoek aan Cuba zag ik in Casa ­Victor Hugo in Havana de twee brieven die ­Victor Hugo in de 19de eeuw had geschreven ter ondersteuning van de verzetsstrijders en ­arbeiders. Mijn familie heeft altijd in de sigarenindustrie gewerkt en ik ben opgegroeid met Monte-Cristo’s, Romeo’s en Julieta’s, maar ik had er geen idee van dat die waren vernoemd naar favoriete boeken die werden voor­gelezen in de fabrieken.”

“Ik ben me gaan verdiepen in het verband ­tussen literatuur en het groeiend klassen­bewustzijn en de invloed op de onafhankelijkheidsstrijders. Les Misérables van Hugo was daarin heel belangrijk en de uitgesproken steun van de schrijver. Er was zo’n rijke geschiedenis verbonden met literatuur.”

U bent opgegroeid binnen die Cubaanse gemeenschap in Miami; het onderlinge ­statusbesef vond ik schokkend om te lezen.

“Mijn grootmoeder was niet van de eerste ­generatie, van de superelite. Zij kwam met de tweede migrantengolf naar de Verenigde Staten, maar heeft er wel van geprofiteerd dat die toen met open armen werd ontvangen. Mijn eigen familie is verdeeld; degenen die voor de revolutie waren zijn gebleven, wie tegen was is vertrokken.”

“Ik heb altijd de drang gevoeld hierover te schrijven, die dynamiek is zo interessant. Maar nogmaals: mijn boek gaat niet over mijn eigen familie. Carmen in het boek is er fel op tegen dat haar dochter naar Cuba gaat. Mijn moeder en ik gaan vaak naar Cuba. Maar wij boffen natuurlijk dat dit mogelijk is geworden. Voor veel van die ballingen stond die deur niet open.”

Het is ook Carmen die gek wordt van de eeuwige nostalgie naar Cuba. ‘Cuba dit, Cuba dat. Cuba Cuba Cuba.’ Waarom weggaan en ver­volgens elke gelegenheid aangrijpen om erover te praten?

“Ja, dat speelt vooral bij de generatie in Miami die nooit naar Cuba is teruggekeerd, het ver­langen naar het prerevolutionaire Cuba. Er is een hele industrie omheen ontstaan, Cubaanse ­winkels van toen zijn herbouwd in Miami. Het is heel natuurlijk dat iemand die is geëmigreerd gevoelens heeft bij het land dat hij of zij heeft verlaten. Maar dat is een gecultiveerde ­nostalgie.”

Naast het statusverschil van de verschillende generaties Cubaanse immigranten is er ook onderling racisme. Schaamteloos onder de oude garde, schrijft u. Zwarte mannen zijn niet te vertrouwen, hoe lichter hoe beter.

“Ik wilde eerlijk schrijven over de gemeenschap. Ik heb zelf het voordeel van white ­privilege, al ben ik van Mexicaans-Cubaanse ­afkomst en dus van gemengd ras. Maar zo veel ooit gekoloniseerde landen hebben een der­gelijk expliciet kastenstelsel, waarin mensen die de meeste toegang hebben tot whiteness de ­betere banen krijgen, over het meeste geld ­beschikken, politiek de dienst uitmaken. Cubanen die hier in de VS aan de witte kant zitten, willen daar niet over praten, zwarte Cubanen worden niet gehoord.”

U schuwt grote politieke onderwerpen niet; jonge kinderen in detentiecentra, bijvoorbeeld. Of de opmars van de uiterst verslavende pijnstiller Oxycontin, de ‘Oxy-Express.’

“Voor ik creative writing ging studeren was ik politiek actief, waarbij ik me vooral richtte op op de zaak van vrouwen in detentie. Daardoor kwam ik in die detentiecentra die als paddestoelen uit de grond schoten, gelijkopgaand met het omhoog gierende aantal uitzettingen. Ik maakte aantekeningen, kleine stukjes tekst, observaties – ik denk mijn eigen manier om om te kunnen gaan met wat ik daar allemaal zag.”

“Uiteindelijk is daar de verhaallijn van Gloria en Ana uit voortgekomen, die zich in een kofferbak het land hebben laten binnen smokkelen – zo heel anders dan de manier waarop de familie van haar buurvrouw Jeanette werd ­binnengehaald. De Cubanen kregen een spe­ciale behandeling, kregen al een legale status letterlijk door alleen maar voet op Amerikaanse bodem te zetten. Zij lieten zich erop voorstaan dat ze politieke vluchtelingen waren en geen economische.”

“Het was aanvankelijk niet mijn bedoeling zo veel sociale, politieke en raciale issues in mijn boek te verwerken, maar het zijn dingen die mijn gedachten beheersen. De opiatencrisis ­inderdaad ook; die is begonnen in Miami en vanuit Florida opgerukt naar het Middenwesten. Ik kan me herinneren dat, toen ik als journalist bij een weekblad werke, zo veel reclameruimte werd gekocht door de fabrikanten. Ja, ik heb een sterke politieke opinie en die komt er onbedoeld doorheen.”

Politiek geëngageerd

Gabriela García is een politiek geëngageerde en uitgesproken feministische journalist, dichter en romanschrijver. Ze zet zich in voor de rechten van migranten. Ze studeerde sociologie aan de Universiteit van Fordham in New York en fictie aan de Universiteit van Purdue in Indiana, waar ze ook creative writing doceerde. Als dochter van een Cubaanse moeder en Mexicaanse vader groeide ze op bij haar moeder in Miami. Ze woont nu in de San Francisco Bay Area.

FICTIE

Gabriela Garcia: Van Vrouwen en zout, vertaald door Mary Bresser, Uitgeverij Signatuur, €21,99, 256 blz.

null Beeld -
Beeld -
In Havana spoelt regelmatig zout zeewater over de Malecón-­boulevard.  Beeld Getty Images/EyeEm
In Havana spoelt regelmatig zout zeewater over de Malecón-­boulevard.Beeld Getty Images/EyeEm
Meer over