PlusAchtergrond

Fotomuseum Den Haag toont het onverbiddelijke oog van Paul Blanca

Vorig jaar oktober overleed fotograaf Paul Blanca. Om ervoor te zorgen dat hij niet louter wordt herinnerd als half-criminele junk, organiseerde het Fotomuseum Den Haag een tentoonstelling met zijn vroege werk, dat niets aan zeggingskracht heeft ingeboet.

Edo Dijksterhuis
Paul Blanca: Zelfportret met pijl, 1987, Kunstmuseum Den Haag. Beeld Paul Blanca
Paul Blanca: Zelfportret met pijl, 1987, Kunstmuseum Den Haag.Beeld Paul Blanca

“Moet jij gered worden?” vraagt filmmaker Ramón Gieling aan kunstenaar Paul Blanca. Het onderwerp van de documentaire This Film Will Save Your Life, die dit najaar uitkomt, vindt het een onzinvraag. Maar niet lang na de opnames volgde het nieuws dat Blanca was overleden. Een leven vol drank, drugs, gehossel in de criminele marge en zelfdestructief gedrag had zijn tol geëist. De fotograaf is 62 jaar geworden.

Het Fotomuseum Den Haag reageerde alert door vrij snel na zijn overlijden de tentoonstelling Hommage aan Paul Blanca te organiseren. Het is een eerbetoon met werk uit de jaren 1980-1995, die gelden als zijn artistieke bloeiperiode. Maar ook een herinnering aan waarschijnlijk de allerbeste fotograaf van zijn generatie, een groot talent dat in de laatste decennia van zijn leven overschaduwd werd door een moeilijke persoonlijkheid en dito gedrag, waardoor verzamelaars terugdeinsden en galeriehouders hun handen van hem aftrokken.

Zweep tussen de billen

Het vroege werk van Paul Blanca, die in werkelijkheid Paul Vlaswinkel heette, wordt gekenmerkt door een combinatie van kracht, verregaande stilering, seksuele spanning en ingehouden geweld. Het wordt vaak vergeleken met dat van Robert Mapplethorpe en die gelijkenis zag de Amerikaanse fotograaf blijkbaar zelf ook.

Hij introduceerde Blanca bij zijn kunstvrienden in New York als ‘mijn enige concurrent’. In zwart-wit gefotografeerde lijven ogen als gebeeldhouwd marmer en net als Mapplethorpe deinsde Blanca er niet voor terug een zweep tussen de billen van een model te proppen.

Ook zijn eigen lijf komt vaak in beeld. De jonge Blanca had een atletisch uiterlijk en sterk ontwikkelde motoriek, die hij te danken had aan jarenlang kickboksen op hoog niveau. Die eigenschappen brachten Hans van Manen ertoe de fotograaf op te nemen in de dansvoorstelling Pose.

De dansers die Blanca leerde kennen via de choreograaf figureren in een serie werken waarin hun lichamen soms naar abstractie neigen. De benen, billen en onderrug van Russell Hunt zijn bijvoorbeeld zo in beeld gebracht dat ze een T vormen en ook kunnen worden aangezien voor schouders waar de nek en het hoofd van verwijderd zijn.

Huilende Mickey Mouse

Blanca’s zelfportretten behoren tot zijn bekendste werk en collega-fotograaf Erwin Olaf beweert in Gielings documentaire zelfs dat hij ‘het zelfportret opnieuw heeft uitgevonden als autonome kunstvorm’. Soms zijn die foto’s uitingen van een zacht soort mannelijkheid, bijvoorbeeld als hij naakt zijn eveneens naakte moeder omhelst of en profile een baby in zijn armen omhoog houdt.

Vaker zit er expliciete agressie in. In een foto heeft de kunstenaar staaldraad door beide wangen geboord en zijn hoofd als het ware opgehangen aan een ring in de muur. Ronduit iconisch is het beeld van Blanca’s rug waar Mickey Mouse in is gekerfd die bloeddruppels huilt, maar wel een duim opsteekt.

Dit deel van Blanca’s oeuvre is verwant aan de confronterende body art waarmee kunstenaars als Marina Abramovic en Chris Burden een decennium eerder hun eigen lichaam op het spel zetten. Andere kunsthistorische associaties zijn nooit ver weg.

De pijl door een wang doet denken aan Sint Sebastiaan. In een zelfportret met twaalf palingen in zijn wijd open gesperde mond zet Blanca zichzelf neer als mannelijke Medusa. En de foto waarin hij een rat tussen zijn lippen heeft, roept herinneringen op aan een martelscène uit George Orwells 1984.

Split second

Blanca blonk uit in het theatraal ensceneren binnen een bijzonder kaal decor, waardoor hij met minimale middelen maximaal effect sorteerde. Zijn afdrukken in gelatinezilverdruk zijn technisch perfect en van grote schoonheid.

Soms vond hij dat een beeld nog iets extra’s nodig had, zoals de geitenkoppen op staken in We Know Our People, en fabriceerde hij er zelf een blikken lijst omheen. Zonder goed gereedschap en met zijn blote handen knipte en kneedde hij het scherpe metaal in vorm terwijl alles onder het bloed kwam te zitten.

Het meeste werk heeft zo’n toevoeging echter helemaal niet nodig. Blanca had een onverbiddelijk oog en een meesterlijk gevoel voor timing. Hij pakte Henri Cartier-Bressons decisive moment, die split second waarin een compositie optimaal is en je moet afdrukken, en vergrootte die uit tot monumentaal formaat.

Abattoir

Dat geldt niet alleen voor zijn studiofoto’s maar ook voor het meer documentaire werk dat beperkt vertegenwoordigd is in de tentoonstelling. De foto’s die hij in 1983 maakte rond het toenmalig gemeentelijk abattoir aan de Cruquiusweg ademen de dood die in de lucht hangt, van zowel de beesten die hier aan hun einde komen als de industriële rafelrand die gedoemd is te verdwijnen.

Zo goed als in die eerste vijftien jaar werd Blanca’s werk nooit meer, hoewel hij met onregelmatige tussenposes bleef fotograferen. Vlak voor zijn dood liet hij zich door collega’s Koos Breukel en Hans de Kort overhalen om twintig foto’s uit zijn toptijd opnieuw af te drukken volgens het zeldzame platina-palladiumprocédé. Van de hernieuwde aandacht voor zijn werk die dat opleverde, heeft Blanca niet lang kunnen genieten.

Hommage aan Paul Blanca: t/m 14/8 in Fotomuseum Den Haag

Meer over