PlusInterview

Eva Menasse schreef een satire over schuld en stilzwijgen: ‘De zinloze slachtpartijen van nu werpen ons terug in het verleden’

Dunkelblum zwijgt ‘begon’ bij Slot Rechnitz, waar tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog tweehonderd Hongaarse Joden werden doodgeschoten door gasten van een feest. Beeld Slot Rechnitz
Dunkelblum zwijgt ‘begon’ bij Slot Rechnitz, waar tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog tweehonderd Hongaarse Joden werden doodgeschoten door gasten van een feest.Beeld Slot Rechnitz

Er wordt ‘gebokt en gezwegen en gelogen’ als de waarheid over de oorlogsgruwelen in een Oostenrijks grensstadje aan het licht dreigt te komen. Met Dunkelblum zwijgt heeft Eva Menasse een even ingenieuze als intrigerende satire geschreven over schuld en stilzwijgen.

Marjolijn de Cocq

‘Zegswijze: de Oostenrijkers zijn een volk dat vol vertrouwen naar het verleden kijkt.’ Hoe cynisch die woorden zijn waarmee de Oostenrijkse Eva Menasse (1970) het eerste deel van haar nieuwe, grote roman Dunkelblum zwijgt introduceert, besef je ten volle als je het boek met met een zucht dichtklapt wanneer je de laatste bladzijdes hebt gelezen. En vervolgens opnieuw wil beginnen in een boek dat zo ingenieus is opgebouwd dat lezing na lezing nieuwe inzichten zullen opduiken.

Want, zoals Menasse schrijft: ‘Rondom Dunkelblum overstijgt het aantal geheimen sinds jaar en dag dat van de opgehelderde zaken.’ En: ‘De hele waarheid wordt, zoals de naam al zegt, door alle betrokkenen samen gekend. Daarom krijg je haar naderhand nooit meer goed compleet. Want van degenen die er een stukje van hebben bezeten zijn er natuurlijk altijd al een paar dood. Of ze liegen, of ze hebben een slecht geheugen.’

Vanuit het jaar 1989, met de val van het IJzeren Gordijn en de toestroom van vluchtelingen uit het Oostblok, keert Menasse terug naar het oorlogsverleden van een fictief, tegen de Hongaarse grens gelegen stadje. Een verleden dat door de jongere generatie niet wordt gekend, door de oudere generatie wordt doodgezwegen en door een hardnekkig groepje ‘nazi’s, leugenaars en Mostschädel’ (zuipschuiten) wordt verheerlijkt – al is er één grote gruweldaad waarover ook zij het niet meer hebben, de Hitlerjongens van toen.

Tot er op een dag in dat jaar 1989 een vreemdeling die geen vreemdeling blijkt zijn intrek neemt in Dunkelblum om er – heel omzichtig – zijn zoektocht in de streek naar massagraven te vervolgen. Hij wil de vermoorde dwangarbeiders herbegraven die door de nazi’s werden gedwongen de Südostwall aan te leggen, verdedigingslinie tegen het oprukkende Sovjetleger.

In een veelheid aan stemmen en lagen onthult Menasse – niet uitputtend, vaak versluierd maar o, wat een rijkdom aan intriges – wat met de witkwast is overgeschilderd. Met glansrollen voor een oude dorpsdokter met zijn oranje Honda die overal de ramen open wil gooien tegen de bedomptheid; een rancuneuze gravin die rouwt en grauwt om haar afgebrande Dunkelblumse heerlijkheid en omgekomen renpaarden; een Joodse kruidenier die na de oorlog niet beter wist dan terug te keren, maar het geluid van de bel in zijn heroverde winkel niet kan velen; een wankelmoedige locoburgemeester, met de boerenstand in strijd om het Waterschap; een oude gouwleider die zich Dunkelblums suikeroompje waant en dweept met Hitlers mooie blauwe ogen; een homoseksuele reiswinkeleigenaar die samen met de (niet helemaal echte) dochter van een biologische-wijnboerenechtpaar in het verleden poert met als inzet een door verder niemand geweest Dunkelblums museum – e.v.a.

Ik heb uw boek twee keer gelezen, en wil dat eigenlijk nog een keer doen. Je kunt het willekeurig waar openslaan om weer iets nieuws te ontdekken. Waarom heeft u voor deze vorm gekozen?

“Dat is precies wat me voor ogen stond: een boek schrijven waarnaar je wil terugkeren. Dat zijn de boeken waar ik als lezer zelf het meest van hou en ik wilde voor mezelf uitvinden hoe je zo’n boek schrijft. Geen verhaallijn van begin tot einde, maar een boek als een driedimensionale ruimte waar je je in begeeft en waarin alles met elkaar is verweven.”

Er wordt bij graafwerkzaamheden een skelet blootgelegd waaraan de inwoners allemaal verschillende oorlogsmisdaden verbinden – je belandt als lezer een soort whodunnit, maar zonder al te veel zekere conclusies.

“Zo werkt het immers ook in de wereld en de maatschappij. Je kunt elke historische gebeurtenis steeds diep- en diepgravender onderzoeken, maar je bent daar nooit mee klaar, er zit altijd meer achter. Het is eigenlijk een wonder dat ik überhaupt een slotzin heb kunnen formuleren. Maar ook die, ‘dat is niet het einde van de geschiedenis’, impliceert dat er meer kan volgen.”

Wanneer heeft het idee voor deze roman bij u postgevat?

“Het begon met de historische feiten, het verhaal van het grensplaatsje Rechnitz, waar tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog tweehonderd Hongaarse Joden werden doodgeschoten door de gasten van een feest op het kasteel. Waarna het kasteel afbrandde en de gravin naar het buitenland vertrok. Ik kende het verhaal oppervlakkig, de zoektocht naar de lichamen is ook in werkelijkheid nog altijd gaande.”

“Ik dacht over de nazitijd altijd: ja, natuurlijk zijn er toen oorlogsmisdaden gepleegd. Maar toen ik later op zoek ging naar het waarom van deze moordpartij, ontdekte ik dat ik helemaal niets wist. Ik wist niet van die duizenden dwangarbeiders die werden ingezet in de regio en die toen het Rode Leger naderde massaal werden vermoord. Ongelooflijk, nota bene in de regio waar ik zelf ben opgegroeid.”

Het verzwegen verleden, zoals u dat schetst.

“Toen ik zestien was werd Kurt Waldheim (die zijn nazi-verleden had verzwegen, red.) verkozen tot president en dat was zo’n schandaal; pas vanaf dat moment begon Oostenrijk naar het eigen oorlogsverleden en de collaboratie tijdens de Holocaust te kijken. Als scholier demonstreerde ik tegen Waldheim, ik was een van zijn felste tegenstanders en stond soms schreeuwend tegenover mijn vader die aan zijn kant stond. Maar nu denk ik dat zijn verkiezing het beste is dat kon gebeuren, omdat vanaf dat moment de puzzelstukken op hun plek begonnen te vallen.”

Daarvóór werd, zoals u ook schrijft, het beeld in stand gehouden dat Oostenrijk het eerste slachtoffer van Duitsland was.

“Niet dus, met dat slachtofferverleden is nu wel korte metten gemaakt; voor veel mensen was het alsof Oostenrijk werd bevrijd door Hitler. Het beeld is nu gekanteld en het is zo belangrijk voor het collectieve Oostenrijkse bewustzijn dat dat stilzwijgen is doorbroken.”

“Mijn boeken beginnen altijd vanuit een fascinatie voor het materiaal, der Stoff. Ik heb dan nog geen idee van de vorm, maar weet dat ik me moet laten gaan, me er helemaal in moet laten verliezen. Daarna pas komt de structuur. Ik besefte dat ik niet vanuit het heden 1945 kon beschrijven. Daarom werd de zomer van 1989 die ik me zo goed herinner het uitgangspunt. Ik was negentien, er kwam een einde aan de altijd latente dreiging uit het oosten. Er was ineens zoveel toekomstperspectief.”

“Het was het begin van mijn journalistieke carrière. Ik reisde vaak naar de Hongaarse grens voor reportages. Sommige dingen die ik toen heb meegemaakt, zijn in dit boek terechtgekomen. Veel gebeurtenissen hebben werkelijk plaatsgevonden, alleen zijn ze op de een of andere manier gevat in het kader van dat fictieve Dunkelblum met zijn fictieve inwoners.”

Wat u onderzoekt is wat ‘de’ waarheid is.

“En hoe functioneert het zwijgen. Als je je concentreert op zoiets als dit stadje, vind je, hoe dichterbij je komt en dichter en nog dichter, meer waarheden. Maar mijn personages zijn ambivalent, in ‘het pure kwaad’ ben ik niet geïnteresseerd. Ik wil laten zien hoe mensen reageren op omstandigheden en hoe hun denken daarover in de loop der tijd verandert. Herinneringen zijn altijd een construct van het heden.”

‘Er was altijd zoveel te doen, we konden ons er niet druk om maken’ is het mantra dat u de Dunkelblumers meegeeft.

“Vóór 1989 waren andere dingen ook belangrijker dan dat oorlogsverleden. Pas daarna kwam er ook veel materiaal vrij uit Oost-Europa: archieven, getuigenverklaringen. En het werd politiek makkelijker zonder die grote vijand aan de grens. Want let wel, Oostenrijk werd aan drie kanten omringd door het IJzeren Gordijn. Als wij als kinderen in de weekends in het Neusiedlermeer gingen zwemmen, dat deels in Oostenrijk en deels in Hongarije ligt, zag je letterlijk dat IJzeren Gordijn aan de overkant, de wachttorens en de soldaten met hun geweren. Als we op school een sirene hoorden, riepen we ‘De Russen komen!’ Dat was onze realiteit.”

De geschiedenis herhaalt zich.

“De lezingen die ik hou over mijn boek staan sinds februari in een ander licht. De zinloze slachtpartijen van nu werpen ons terug in het verleden. Mijn boek is de Oostenrijkse geschiedenis van 1938-1989 in vogelvlucht, maar tegelijk heel universeel.”

Ondanks de verschrikkingen die de kern van het boek vormen, is het vaker wel dan niet heel grappig in karaktertekeningen, het politiek gekrakeel en futiliteiten waar uw Dunkelblumers zich dan wél weer heel druk om maken.

“Dat is wel mijn hoop. Daarom focus ik ook niet op de moordpartij. Dit soort gruwelen vindt plaats, dat zien we nu opnieuw en opnieuw. Mij gaat het om hoe de mensen reageren, hoe ze verder leven. En als je dan een stapje achteruit zet en ze zo gadeslaat, zijn mensen vaak heel grappig. Vooral als ze serieus proberen te zijn en zichzelf belangrijk willen maken. En bovendien: lachen is een overlevingsstrategie.”

Eva Menasse (Wenen, 1970) studeerde geschiedenis en Duitse literatuur. Ze werkte onder andere bij het Oostenrijkse tijdschrift Profil en bij de Frankfurter Allgemeine Zeitung en ontving eerder de Heinrich-Böll-Preis. Haar roman Quasikristallen (2014) stond maandenlang op de bestsellerlijst van Der Spiegel. Eerder verschenen ook Vienna en de verhalenbundel Dagelijkse zonden. Haar boek Dieren voor gevorderden (2018) werd bekroond met de Österreichischer Buchpreis. Voor Dunkelblum (2021) ontving Menasse vorige maand de Bruno-Kreisky-Preis voor het beste politieke boek. Menasse woont in Berlijn.

Dunkelblum zwijgt

Eva Menasse

Vertaling Annemarie Vlaming

Atlas Contact, €24,99, 528 blz.

null Beeld
Meer over