PlusBoekrecensie

De grenzeloze rivier de Rijn: een jaloersmakend goed beschreven tocht tussen heden en verleden

In De grenzeloze rivier reist schrijver Mathijs Deen niet letterlijk de hele rivier af, maar struint hij voortdurend tussen heden en verleden.

Peter de Brock
De Rijn, bij Lobith. Beeld Hollandse Hoogte/ANP
De Rijn, bij Lobith.Beeld Hollandse Hoogte/ANP

De Rijn beschrijven als oeroud maar sterfelijk personage. Dat was het uitgangspunt dat Mathijs Deen oorspronkelijk voor ogen had. Een mannelijk personage bovendien, waarvan de geboorte zou samenvallen met het ontstaan en de dood met de erosie van de Alpen. Ofwel het boek van een ‘knap of kunstzinnig geoloog’ waar onderwijzer en natuurvorser Jac. P. Thijsse ooit van droomde: ‘Daar zou veel verbazingwekkends in voorkomen.’ Dat boek is het niet geworden.

Het Rijnboek waar Thijsse naar verlangde zou het verhaal moeten vertellen dat zich uitstrekt over miljarden jaren, van de Big Bang tot de zon er genoeg van heeft. Maar Deen is geen geoloog, gelukkig. Het indrukwekkende rivierlandschap doet hem wel beseffen hoe klein en toevallig ons bestaan is.

Het is die combinatie ‘van nietige voornemens in een enorm levenloze machinerie van de natuur’ die hij wil vertellen: ‘De ontmoeting van ons monter gesappel met het trage landschap waarin we rondstappen.’ Zoals hij eerder met succes deed in De Wadden (2013) en Over oude wegen (2018).

Waar water smaakt naar steen

Nog maar vier jaar geleden verscheen De Rijn, biografie van een rivier van Martin Hendriksma. Een boek dat na de lovende recensies een eigen tv-serie kreeg bij Omroep Max: Langs de Rijn. Droomde Hendriksma als scholier weg bij het blauwe kronkelstreepje in de Bosatlas, Deen raakte begeesterd door het verhaal van zijn schoolmeester dat wie de Rijn maar lang genoeg stroomopwaarts volgt uiteindelijk een punt bereikt waarop de rivier zo smal is geworden dat je eroverheen kunt springen. Dat blijkt een plek hoog in de besneeuwde bergen, waar het water smaakt naar steen.

Eenmaal terug van zijn pelgrimage naar de bron van de Achter-Rijn, zoekt hij in Utrecht paleogeograaf Kim Cohen op. De sfeer in het toch al bedompte universiteitskamertje neemt een drastische wending als de schrijver vertelt over zijn bronbezoek. Het denken dat je een rivier pas kunt begrijpen als je het verste punt hebt bereikt, is volgens de wetenschapper een volstrekt achterhaalde romantische obsessie uit vervlogen tijden. “Geen Rijn zonder Alpen toch?” probeert Deen nog met oog op de beoogde opzet van het boek. Het antwoord doet alles kantelen: “De Rijn was er altijd al.”

Een rivier houdt ook niet op bij de oevers, is eerder een ‘een worst van water’ aangevuld door zijstromen, regenbuien en grondwater. De loop van de Rijn is voorlopig, leert Deen: ‘Als een onmerkbaar traag kronkelende slang zoekt hij de weg met de minste weerstand en het grootste hoogteverschil.’

In zijn rol als ‘montere sappelaar’ zoekt de schrijver zijn eigen weg door de lange geschiedenis van het imponerende stroomgebied. Als scherpe observator, voorzien van een jaloersmakende schrijfstijl, neemt hij moeiteloos de lezer mee de diepte in.

Deen reist niet daadwerkelijk de hele rivier af van de bron hoog in de Alpen naar de monding bij Katwijk, de route die Hendriksma wel volbrengt in zijn Rijnbiografie. Daarentegen struint hij voortdurend tussen heden en verleden: bezoekt het 300.000 jaar geleden overleden Meisje van Steinheim, staat bij het sterfbed van Lodewijk de Vrome en vaart mee met het binnenvaartschip de Terra Maris.

Nijlpaardschedel

Rivier en grens vallen vaak samen. Op het jaagpad langs de Sambre, gegraven om het stroomgebied van de Rijn met dat van de Seine te verbinden, zijn we een week voor het einde van de Eerste Wereldoorlog getuige van het sneuvelen van de Engelse dichter Wilfred Owen. Door de ogen van de Duitse kapitein Willi Bratge zien we hoe de Amerikanen op 7 maart 1945 de Ludendorffbrug bij Remagen innemen, de enige Rijnbrug die nog niet door de terugtrekkende nazi’s is opgeblazen. En bij de Wijkertunnel lopen we wacht met archeoloog Arjen Bosman bij het in 1975 opgegraven Romeinse fort.

De Duitse meubelmaker en oorlogsveteraan Jozef Anton Stury wilde na de verschrikkingen aan het front van de Eerste Wereldoorlog niets meer met de wereld te maken hebben. Als de Robinson van de Rijn trok hij zich terug op een schiereilandje in de Rheinschlucht, hakte een deel van het bos om, bouwde een houtzagerij en bezwangerde tussen het overleven door regelmatig zijn vrouw. Een zelfgekozen isolement, door het Rijnwater afgeschermd van de boze buitenwereld. Het liep niet goed af.

Bij een bezoek aan de voormalige Noordzeeschipper Kommer Tanis in Kwade Hoek bewondert Deen de schedel van een nijlpaard, of Rijnpaard eerder. Het pronkstuk van de fossielenverzameling, ooit verworven als showstuk op de eettafel, blijkt verbannen naar de schuur. Mevrouw Tanis wil het ‘lelijke ding’ niet in huis, tot onbegrip van de verzamelaar: “Dat gebit, dat is gewoon… esthetisch helemaal geweldig.”

Een bijzondere ontmoeting tussen fossielen en andere artefacten, die leest als een reportage van de radiomaker die Deen ook is. Met De grenzeloze rivier heeft Deen zijn eigen Rijnrijk geschapen, met illustraties van zijn dochter Hannah. Leverde de Rijnbiografie van Martin Hendriksma een televisieserie op, de rivierverhalen van Mathijs Deen lenen zich bij uitstek voor een radiofeuilleton of podcast.

null Beeld -
Beeld -
Meer over