PlusAchtergrond

De geheime pijnen van gitarist Robert Fripp van King Crimson

Erik Voermans

Met het album Red leek King Crimson in 1974 aan de vooravond te staan van een doorbraak naar het populariteitsniveau van bands als Yes, Genesis of misschien zelfs Pink Floyd. Maar. Na Red trok gitarist Robert Fripp de stekker eruit: King Crimson hield op te bestaan, tot verbijstering van iedereen, behalve die van Fripp.

De reden, zo bleek later, was een fundamentele persoonlijke crisis, voortkomend uit een diepe onvrede met de krachten die in de wereld van de rockartiest op hem inwerkten: de sleur van het touren, het alomtegenwoordige drugsgebruik met de bijbehorende paranoia en de opgeblazen ego’s. Of, samenvattend, het besef dat het niet meer mogelijk was intrinsiek gemotiveerd muziek te maken vanuit onschuld, zuiverheid en een voor hem sacrale roeping. Het roer moest drastisch om. Hij dankte dat inzicht aan de filosoof John G. Bennett, pupil van de Russische mysticus Gurdjieff.

Bennett stelde dat ‘je het doel onmogelijk kunt bereiken zonder lijdenschap’, een zinnetje dat bij Fripp zo diep resoneerde dat hij zich in oktober 1975 aanmeldde bij de International Academy of Continuous Education in Sherborne House in de Cotswolds, waar de leer van Bennett, die in 1974 was overleden, werd gepredikt. Fripp sloot zich daar tien maanden af van alle ruis uit de muziekwereld. Hij leefde er onder primitieve omstandigheden, deed nederige klussen en verrichtte veel fysieke arbeid. Dit ervoer hij als louterend. Na die tien maanden kon hij met een schoon hoofd opnieuw beginnen: hij zou het ditmaal anders aanpakken.

Amper terug in de bewoonde wereld ging hij meteen aan de slag als vliegende kiep. Hij speelde op het solodebuut van Peter Gabriel, onder de naam Dusty Rhodes, zei ja tegen zijn vriend Brian Eno, die namens David Bowie vroeg of hij ‘some hairy rock and roll guitar’ kon toevoegen aan de plaat die ze in Berlijn aan het opnemen waren (Heroes) en verhuisde van Londen naar New York, waar de punkscene explodeerde van jeugdige energie. In The Bowery had Fripp geen last van zijn Britse imago van old fart en oer-progrocker – hij was al dertig jaar oud – en kon hij frank en vrij met de lokale muzikanten spelen, onder wie Blondie en The Roches. In The Kitchen, op 59 Wooster Street, presenteerde hij op 5 februari 1978 als ‘small, mobile and intelligent unit’ zijn nieuwe uitvinding genaamd ‘frippertronics’, waarmee hij – met behulp van twee Revox-bandrecorders – repetitieve muziek maakte en in zijn eentje met zijn vervormde, zoemende en jankende gitaar geheime pijnen openbaarde. Hij klonk als een strijkkwartet uit een ver sterrenstelsel.

Afwijkende maatsoorten

Het waren voor Fripp opwindende tijden, die leidden naar zijn eerste soloalbum Exposure, een van de intrigerendste, eigenzinnigste en ontroerendste albums in de popgeschiedenis. Op Exposure staan ook weer die frippertronics, teder en diep ontroerend (Water Music!), maar ook snoeiharde rock in afwijkende maatsoorten, hypnotische funk (het titelnummer), de mooiste versie van Peter Gabriels Here Comes The Flood en verder stiekeme opnamen van gesprekjes met Brian Eno en Gabriel, van een afgrijselijke burenruzie – zijn flat in New York was gehorig – en van de stem van Bennett, die in de jaren veertig al grote klimaatproblemen voorspelde en er in het titelnummer ook nog acht maal op wijst dat ‘it is impossible to achieve the aim without suffering’.

Fripps lijfspreuk staat handgeschreven in tweevoud te lezen op de boxset op lp-formaat Exposures, met daarin 25 cd’s, drie dvd’s, vier blu-rays en een booklet van 47 pagina’s met veel foto’s en teksten van onder anderen Fripps chroniqueur Sid Smith, aangevuld met een map met facsimile’s van concertkaartjes, posters en een stencil met uitleg van Fripp over frippertronics en over Mobile Units, geschreven in zijn karakteristieke intellectualistische stijl.

Op die schijfjes staan alle versies die van Exposure zijn gemaakt, inclusief de twee pre-edities The Last of the Great New York Heartthrobs en Breathless or How I Gradually Internalised The Social Reality Of Manhattan Until It Seemed To Be A Very Reasonable Way Of Life, beide met een nummervolgorde die afweek van de versie die in 1979 verscheen en met een gezongen versie van NY3. Voor Heartthrobs was zelfs al een hoesfoto gemaakt, waarop Fripp met een getuite mond en een glimlach staat te stralen, met achter hem drie uitbundig danseressen met verentooien. Nee, dan liever de hoes met de foto van Blondies Chris Stein, die het uiteindelijk is geworden, waarop hij je vriendelijk, belangstellend en verwachtingsvol aankijkt (‘wat zeg je hiervan?’). Ironisch genoeg was dat volkomen in tegenspraak met zijn imago, dat door drummer en King Crimsoncollega Bill Bruford ooit werd omschreven als een mengeling van ‘Josef Stalin, Mahatma Gandhi en markies de Sade’.

Alle versies van Exposure betekent ook alle edities die na 1979 zijn verschenen, wat deze boxset automatisch iets voor de afficionados maakt, want het album komt in tien verschillende gedaanten langs en in verschillende geluidskwaliteiten.

Alle jams en repetitiefragmenten

De release was voor Fripp een pijnlijk proces, want het management van zanger Daryl Hall, van de succesgroep Hall & Oates, die op Exposure een essentiële gastrol vervult, lag dwars. Fripp mocht van de zeven nummers die Hall inzong, er maar twee gebruiken, waardoor hij op zoek moest naar vervangende vocalisten. Dat werden Peter Hammill van Van Der Graaf Generator en Terre Roche. Jammer was ook dat de plaat nu een jaar later dan gepland werd uitgebracht. Fripps hele idee van een gelijktijdig te verschijnen drieluik, bestaand uit Exposure, Sacred Songs van Hall en Peter Gabriels titelloze tweede soloplaat (beide door Fripp geproduceerd), ging daarmee in rook op.

Na jarenlange, intensieve beluistering van Exposure 2 is niet meer uit te maken of Exposure 1 met Hall, die pas in 2006 voor het eerst het licht zag, nou een betere plaat is of juist niet. Vast staat wel dat hij in het titelnummer niet in de buurt komt van de existentiële angst die Terre Roche in haar uitschreeuwen van het woord exposure legt. Mooi is het in elk geval wel om nu alles bij elkaar te hebben, inclusief alle jams en repetitiefragmenten die er in de studio aan voorafgingen, met bijdragen van Ian McDonald, Jerry Marotta, Phil Collins, John Wetton, Narada Michael Walden en Tony Levin, die de officiële release niet haalden.

Exposures bevat ook het volledige archief met frippertronics (hoera), in het verlengde van Let The Power Fall en God Save The Queen, maar om de schijfjes 25-28 te kunnen beluisteren, samen goed voor zeventig uur aan frippertronicsconcerten, moet je beschikken over een blu-rayspeler.

Hij klinkt als een kreunend, treurend fabeldier

De box bestrijkt de periode 1974-1981 en stopt op het moment dat een nieuwe incarnatie van King Crimson zich aandiende. Een onmiskenbare aankondiging van die specifieke bandsound is het nummer Morning, onderdeel van de sessies voor Under Heavy Manners, waarop Fripp zijn frippertronics combineert met een discobeat en de stem van Talking Head David Byrne. Under Heavy Manners was een van de projecten van The League of Gentlemen, waarvoor Fripp de krachten bundelde met Barry Andrews (voormalig organist van XTX), drummer Johnny Toobad en bassiste Sara Lee, beiden afkomstig uit de New Yorkse punkscene. The League of Gentlemen was een maf newwavebandje, dat uiteenviel toen bekende problemen begonnen te ontstaan. Toobad was een junkie en de anderen, behalve Fripp, dronken te veel. Misschien zag Fripp het vooral als een sociaal experiment, dat niettemin een paar opmerkelijke nummers heeft opgeleverd. Zoals Eye Needles, waarin hij voor de eerste keer de gitaarsynthesizer van Roland gebruikte, of The Zero Of The Signified, waarin hij onder een overgedubde solo acht minuten lang een heel snel figuurtje aanhoudt, een onmogelijk staaltje gitaartechniek. De solo is klassiek Fripp, met de kenmerkende glijtonen, het indringende vibrato, de zangerigheid, de af en toe blaartrekkende snelheid en niet te vergeten de huiveringwekkende coda, waar hij, begeleid door frippertronics, klinkt als een kreunend, treurend fabeldier, steeds op de rand van feedback.

De jaren 1974-1981 waren de gelukkigste in het leven van de muzikant Fripp. Daarna begonnen de problemen weer die horen bij een beroemde band als King Crimson en die nog werden verergerd door een onbetrouwbaar management en, later, een jaren voortslepend conflict met platenmaatschappijen over achterstallige royalty’s. Aan deze periode van Endless Grief, zoals hij het noemde, kwam pas een eind toen hij in 2011, na een buitengerechtelijk akkoord, weer baas werd over zijn eigen muziek. Sindsdien plukken de fans de vruchten, want de jubileumboxen vliegen ze om de oren. Dit is nummer negen. En de mooiste.

Robert Fripp-Exposures (DGM), €240.

Meer over