PlusAchtergrond

De afzakbroek van Balenciaga en nepdreadlocks bij Marc Jacobs – culturele toe-eigening gaat niet zomaar meer in de mode

Xibelanirok van Rich Mnisi, waarin vijf kilometer wol is verwerkt. Te zien op de tentoonstelling 'Global Wardrobe' in Kunstmuseum Den Haag, over niet-westerse invloeden op de mode. Beeld Zander Opperman
Xibelanirok van Rich Mnisi, waarin vijf kilometer wol is verwerkt. Te zien op de tentoonstelling 'Global Wardrobe' in Kunstmuseum Den Haag, over niet-westerse invloeden op de mode.Beeld Zander Opperman

De afzakbroek van modehuis Balenciaga zorgde voor woede, net als de nepdreadlocks bij Marc Jacobs en de ‘Jamaicaanse’ trui van Louis Vuitton. Het toe-eigenen van andermans cultuur gaat niet zomaar meer in de mode. Hoe nu verder?

Fiona Hering

De modewereld maakt blunder op blunder. Op Gucci’s pijnlijke blackface­coltrui (op te trekken tot aan de neus, met dikke rode lippen erop) volgden sikhturbans van zo’n 800 euro die ook nog eens werden gedragen door vróúwen, een soort heiligschennis.

Marc Jacobs liet witte modellen in zijn show lopen met nepdreadlocks. Laatste blunder: ­Balenciaga’s sagging pants voor deze winter, een optische illusie van een afzakkende broek die vastzit aan een boxershort. Een stijl die ­begin jaren negentig omarmd werd door de hiphopscene, waarbij de broek vaak zo laag hing dat de onderbroek zichtbaar werd.

De stijl zou zijn ontstaan onder zwarte Amerikaanse gevangenen, vanwege het verbod op ceintuurs in gevangenissen. Anderen zijn van mening dat de oorsprong ligt in improvisatie: uit armoede droegen mensen de te grote broeken van anderen. (Lees: overwegend in arme zwarte wijken.)

Een politiek gevoelig kledingstuk, want in een aantal Amerikaanse steden staat er een heuse boete op het dragen van extreem ‘afgezakte’ broeken. In Shreveport, Louisiana stierf Anthony Childs, een 31-jarige zwarte man die op de vlucht was voor zo’n boete, tijdens een politieachtervolging. Het idee dat rijke (witte) kids uit bevoorrechte milieus nu met zo’n broek (prijskaartje: 975 euro) gaan pronken en Balenciaga er vette winst mee zal behalen, deed het internet steigeren.

De nu al beruchte afzakbroek van Balenciaga. Beeld Balenciaga
De nu al beruchte afzakbroek van Balenciaga.Beeld Balenciaga

Het is het recentste voorbeeld van culturele toe-eigening, wat staat voor het gebruik van elementen uit een cultuur waartoe je zelf niet behoort. De wereld is van iedereen, is de mening van mensen die vinden dat we hierin zijn doorgeslagen. Maar het wordt problematisch als de gebruiker zich in een geprivilegieerde positie bevindt ten opzichte van de cultuur waarvan hij iets neemt, zonder dat de ander daarvan meeprofiteert.

Verentooi

“Je zou niet moeten némen, zonder iets te ­geven, zegt Maru Asmellash (27), medeoprichter van het Amsterdamse merk The New Originals. “Wie profiteert ervan als jij iets neemt van een andere cultuur dan de jouwe? Dat is de vraag die elke creatief zich zou moet stellen. Daarbij halen modehuizen die hiphopstijl binnen, maar wordt de originele inspiratiebron, zeg iemand in een hoody met afgezakte broek, in die designerwinkel waarschijnlijk helemaal niet met open armen ontvangen. Althans, hij wordt er vast niet zo enthousiast begroet als die rijk uitziende Russische klant.”

Asmellash: “En ik vind het héél eng dat die rijke Russische gast nu mogelijk in een zogeheten ‘Jamaicaanse’ sweater van Louis Vuitton loopt.”

Over die ‘Jamaicaanse’ sweater: Louis Vuitton gebruikte voor de 1160 euro kostende trui – o blunder – niet de Jamaicaanse, maar de Ethiopische vlag, een symbool waaraan zoveel trotse rastafari’s hun identiteit ontlenen.

“Breek me de bek niet open,” zegt Asmellash, “ik kan nog úren doorgaan, want commercialiteit heeft zoveel met onze samenleving gedaan en het is uit de klauwen gelopen. Hoe kan het dat kinderen op een partijtje met een verentooi rondrennen? Die tooi staat symbool voor alles wat de Native Americans is afgenomen, inclusief het verbod om zelf dergelijke hoofdversiering te dragen.”

Wéér een kimono

Niemand van de modepers (incluis ondergetekende) die zich eraan stoorde toen de Britse ontwerper John Galliano in 1998 een model ‘verkleed’ als Pocahontas voor op een stoomtrein (de ‘Diorient Express’) het Parijse Gare d’Austerlitz liet binnenrijden ter opening van zijn modeshow voor Dior. In 2012 kwam er echter aan de andere kant van de oceaan een debat op gang toen model Karlie Kloss met Native American hoofdtooi over het plankier liep tijdens de Victoria’s ­Secretshow.

“In Europa is het besef en het debat pas de laatste jaren ontstaan, en de intensiteit verschilt per land,” zegt Madelief Hohé, modeconservator van Kunstmuseum Den Haag.

Waar ligt voor haar de grens tussen etnische inspiratie en het toe-eigenen van elementen van andere culturen? “Als het een beetje ongemakkelijk voelt, als het ontwerp te letterlijk is genomen. Soms voel ik dat met terugwerkende kracht.

Zo kijk ik nu met andere ogen in het depot naar ‘indianenjurkjes’ uit de jaren zestig, met de wetenschap van de verhalen die we ­inmiddels kennen van bijvoorbeeld Canadese internaten. Maar het blijft een lastige spagaat, want ik vind die kleding van Galliano nog steeds fantastisch mooi, bijvoorbeeld door het handwerk. Pijnlijk was in het verleden wel vaak het gebrek aan research over zaken die gevoelig liggen.”

Griekse borduursels

In westerse musea werd tot voor kort met een superieure, eurocentrische blik naar mode ­gekeken; zo werd er gesproken over mode versus etnische kleding en klederdracht. Vaak werd niet-westerse kleding in volkenkundige musea in plaats van op een mannequin liggend of hangend aan de muur tentoongesteld, omdat het werd gezien als ‘etnografisch textiel’. Alsof het niets met de mens van doen heeft.

Erkenning van het origineel én een gelijkwaardige samenwerking zijn stappen in de juiste richting. Zo werkte Dior laatst voor de cruisecollectie samen met Griekse vaklui voor typische borduursels uit de Peloponnesos.

Maar moeten westerse ontwerpers nu eindelijk niet eens van dat al te letterlijk lenen van ­andere culturen afblijven? Zoals modeontwerpster Lisa Konno, dochter van een Japanse vader en Nederlandse moeder, het zegt: “Zitten we nog te wachten op wéér de zoveelste kimono-­inspiratie van een westerse ontwerper?”

Inderdaad, tijd voor een nieuw geluid. Gelukkig is er wereldwijd een generatie ontwerpers opgestaan die het als haar kracht ziet om júíst iets met het eigen erfgoed te doen. Dat wordt niet meer weggepoetst om aan een westerse blik te voldoen, maar ingezet om eigenheid te benadrukken.

“Daar is ook ruimte voor,” zegt Hohé, “omdat we er met z’n allen voor openstaan. Zo werd de Amerikaanse minister van Binnenlandse Zaken Deb Haaland in maart dit jaar geïnaugureerd in inheemse kleding. Voorheen had ze er nog in een mantelpak gestaan, maar doordat er nu een soort wederzijds respect is ontstaan, is dit mogelijk. Dat breng een andere vibe in de mode. Veel van deze nieuwe ontwerpers produceren ook lokaal omdat ze graag arbeidsgelegenheid voor hun omgeving willen creëren en tegelijk zo handwerktradities in stand houden.”

Global Wardrobe heet de tentoonstelling in Kunstmuseum Den Haag die Hohé samenstelde over niet-westerse invloeden op de mode. Veel leden van bovengenoemde generatie zijn er vertegenwoordigd. Zoals Kenneth Ize uit Nigeria, wiens merk draait om het in stand houden van zijn cultuur en identiteit. Hij werkt met aso oke, een weeftechniek uit Niger en West-Afrika.

Organische katoen, wol, zijde

De Zuid-Afrikaanse Rich Mnisi laat zijn licht schijnen op het rijke culturele erfgoed van het Vatsongavolk. Onder meer met een xibelanirok (xibelani is een dans) waarin vijf kilometer wol is verwerkt.

Lisa Konno werkt aan het derde deel van een drieluik dat begon met een portret van een ­Japanse immigrant: haar vader. In de collectie persifleerde ze culturele misverstanden en speelt ze met clichés, zoals reusachtige origamitulpen. Voor een vervolgproject keek ze naar de kledingkast van de Turkse vader van een vriendin. Daarvoor werkte ze met hem samen. “Omdat het gevaar op de loer lag dat ik me ook schuldig zou maken aan cultural appropriation.” Momenteel werkt ze met Henk Shakison, Amsterdamse Surinamer, aan de derde collectie.

Lisa Konno speelde voor haar collectie BABA met Turkse clichés. Beeld Laila Cohen
Lisa Konno speelde voor haar collectie BABA met Turkse clichés.Beeld Laila Cohen

De Canadese kunstenaar Celeste Pedri-Spade, een Anishinaabe afkomstig uit het noordwesten van Ontario, toont in Den Haag haar Anti-Pipeline Society Kwe, een gewaad dat symbool staat voor alle vrouwen die aan het front zijn geweest om hun thuisland te verdedigen tegen het ­geweld vanuit de grondwinningsindustrie.

Wie mag het dragen?

Haar landgenoot Curtis Oland stamt af van de Lil’wat uit de Okanaganvallei. In zijn werk combineert hij biologische katoen, wol, zijde en linnen met dierlijke producten die van oudsher door de Lil’wat voor kleding werden gebruikt: paardenhaar en huiden van herten en elanden.

Maar dan volgt de vraag: wie mag dat vervolgens dragen? Native American ontwerpster Jamie Okuma is hier duidelijk over: “Non-Natives worden hypersensitief omdat ze niemand willen beledigen. Maar koop het alsjeblieft als je het mooi vindt. Mijn werk is voor iedereen, inheems werk is voor iedereen.”

Konno hoopt op dialoog. “Als een ontwerper aan de schandpaal wordt genageld durft straks niemand meer en trekt iedereen zijn handen af van elke vorm van culturele samenwerking.”

Asmellash: “Ik ben niet naïef, ik denk niet dat er straks een walhalla is waarin cultural appropriation niet meer bestaat, maar wij moeten wel vechten voor onze eigen verhalen en die gaan vertellen. Spread the word.”

Global Wardrobe, t/m 16 januari 2022, Kunstmuseum Den Haag

Meer over