PlusInterview

Daniël Rovers: ‘Misschien maak je de mooiste tentoonstellingen wel in boekvorm’

In zijn rijke, fijnzinnige roman Vergeten meesters volgt Daniël Rovers (Zelhem, 1975) vijf medewerkers van het Amsterdamse museum Dumas, dat sterk lijkt op het Rijksmuseum, met hun hoogsteigen dagelijkse beslommeringen en curieuze gedachtekronkels.

Jan Pieter Ekker
Daniël Rovers. Beeld Mark Kohn
Daniël Rovers.Beeld Mark Kohn

Hij is net terug van de Biënnale in Venetië, waar hij onder meer ‘de gezellige knuffelpartijen’ van Melanie Bonajo heeft bekeken, zegt Daniël Rovers terwijl hij twee bij de bakker gehaalde gevulde koeken op de keukentafel legt.

Rovers werd in 1975 geboren in Zelhem in de Achterhoek en belandde na een tussenstop in Brussel in 2009 door de liefde in Amsterdam – nu woont hij driehoog in de Indische buurt. Hij werkt als redacteur bij kunstkrant De Witte Raaf (‘een beetje regelen, een beetje redigeren, soms zelf een stuk schrijven’), maar in de eerste plaats is hij schrijver. Onlangs verscheen Vergeten meesters, een prachtig boek over vijf rondleiders in het Rijksmuseum Dutch Masters, het Dumas. Onderweg naar hun werk bezien ze de werkelijkheid om zich heen en reflecteren ze op de afslag die hun eigen leven heeft genomen.

“Ik ben bijna tien jaar bezig geweest met Vergeten meesters, waarvan vijf schrijfjaren, en heb er zó veel ingestopt van mijn eigen ervaringen in musea, van de kunst en het kijken naar publiek. Na het schrijven merkte ik dat ik het plezier in het kijken een beetje verloren was: alsof alles in het boek zit. Maar in Italië heb ik het plezier teruggekregen. Ik heb niet alleen het Belgische en Estse paviljoen op de Biënnale bezocht, maar heb in de Cappella degli Scrovegni in Padua ook de fresco’s van Giotto gezien. Kijk, ik heb een koelkastmagneetje gekocht. Marcel Proust heeft over die kapel geschreven. Een van de figuren die daar staan – Karitas, de Naastenliefde – deed hem denken aan zijn zwangere dienstmeid. Dat vind ik mooi: dat je in de mooiste kunstwerken iets uit je directe omgeving herkent. Dat speelt ook een belangrijke rol in mijn boek.”

Wat was tien jaar geleden uw eerste idee voor Vergeten meesters?

“Ik wilde een boek schrijven over gidsen en rondleiders in musea. Ik ben bewoner geweest in het Witsenhuis, het voormalige atelier van kunstenaar Willem Witsen aan het Oosterpark, dus ik heb enige ervaring. Maar toen ik in 2013 bij het Rijks solliciteerde als gids Duits – ik had net een cursus Duits gedaan in Berlijn – mocht ik niet eens op gesprek komen. Jammer, ik had het graag gedaan. Ik zou overigens nog liever een tentoonstelling samenstellen.”

Dat hebt u al gedaan: uw boek is een soort gedroomde tentoonstelling.

“Dat klopt. Het is een gedroomd Rijksmuseum waarin ook plaats is voor Van Eyck, De Emmaüsgangers van meestervervalser Han van Meegeren en een zelfverzonnen schilderij: een naaktportret van vijf regentessen door een Frans Hals-achtige schilder. Misschien maak je de mooiste tentoonstellingen wel in boekvorm omdat je dan geen praktische problemen ondervindt, zoals torenhoge verzekeringskosten en schilderijen die niet worden uitgeleend of helemaal onvindbaar zijn.”

Elk hoofdstuk heeft de titel van een schilderij, maar die heeft niet per se iets te maken met dat hoofdstuk.

“Het boek beschrijft slechts een halve dag. Om een adempauze te creëren in de tekst die maar door en door gaat, heb ik er plaatjes van etsen van Rembrandt tussen gezet. Maar zonder ze te benoemen, want ook de bekendste namen komen beter tot hun recht als je die namen vergeet en gewoon kijkt. Dus dat je vergeet dat de Nachtwacht een wereldberoemd schilderij is van Nederlands bekendste schilder Rembrandt van Rijn. Dat irriteert me, die ongelooflijke gewichtigdoenerij die er omheen hangt. Daarom laat ik een van de rondleiders zeggen wat er allemaal niet deugt aan het schilderij. Want als kunst een soort religie wordt en je het alleen maar mooi mag vinden, betekent dat volgens mij de dood van de kunst.”

Het Rijksmuseum heeft model gestaan voor het Dumas. Wat vindt u eigenlijk van het Rijks?

“Ik ben er veel geweest en ik voelde me er zeer thuis, het is een veilige, rustige omgeving. Vooral de zalen als de 18de eeuw, die heel goed verscholen liggen – zelfs veel suppoosten kunnen je niet vertellen waar die zijn. Het is magisch om daar rond te dwalen. Toen ik aan mijn boek begon, was Wim Pijbes nog directeur. Toen werd geklaagd over de drukte, riposteerde hij niet zonder arrogantie dat je dan maar zelf een Rembrandt moest kopen. Maar de afgelopen jaren is het instituut progressiever geworden. Onder Taco Dibbits klinkt er een interessant nieuw geluid, bijvoorbeeld door tentoonstellingen over slavernij en Indonesië. Die hebben mijn beeld op het verleden en de kunst echt veranderd. Ik zou het museum nu eerder koesteren dan bekritiseren.”

U pakt uit met allerlei stijlen en vertelvormen.

“Het is een boek waarmee ik mezelf niet wilde vervelen, en de lezer natuurlijk ook niet, dus ik heb in elk hoofdstuk iets anders geprobeerd. Sommige eindigen met kleine lettertjes: opsommingen van het geblaat van de media en de clichés waarmee de wereld bekeken wordt.”

Ook Georgina Verbaan bezoekt het Dumas.

“Ze was een inspiratie voor het personage Pina, die teksten voor audiotours inspreekt. Ze heeft een toneelopleiding gevolgd, maar heeft vooral angsten. Je zou het een oude verliefdheid kunnen noemen... Ik ben een keer bijna tegen haar opgebotst. Toen zei mijn vriendin: ‘Zag je niet wie dat was? Dat was de door jou zo bewonderde Georgina Verbaan.’ Maar ik keek toen net een andere kant op.”

“Er zit natuurlijk ook iets van mij in alle personages. Elke schrijver stopt zijn ziel en zaligheid in een boek. In mijn geval is het niet direct te herleiden tot een privégebeurtenis, maar ik zit er wel tot over mijn oren in.”

Ik had Verbaan niet in Pina herkend. Ze duikt op in het hoofdstuk met korte karakterschetsen van een aantal museumbezoekers: ‘Georgina Verbaan (1979) stond tegenover Rembrandts De roof van Proserpina, want als ze zich down voelde, hielp het altijd even naar die gouden strijdwagen te kijken.’ Dat schilderij heeft u van de Gemäldegalerie in Berlijn naar het Dumas overgeheveld...

“Dat klopt, het is zo’n mooi schilderij. Hoe het Griekse verhaal gaat, weet ik niet precies, ik zie vooral dat gouden strijdros voor me... Soms denk ik: kon ik dit schilderij maar meenemen en thuis ophangen. Museumdirecteuren hebben het in dat opzicht makkelijker: Taco Dibbits kan gewoon 175 miljoen neerleggen voor De Vaandeldrager om zijn wens werkelijkheid te maken.”

Als er helikopters boven Amsterdam-Zuid cirkelen, laat u Halina Reijn ‘Nu komt het wel heel dichtbij’ twitteren.

“Ik heb een essay over haar geschreven voor De Gids. Ze is een heel goede actrice en ze kwam destijds veel op tv. Zij leek me wel iemand die op dat moment die boodschap zou kunnen twitteren. En het is natuurlijk een gelukkig toeval dat ze haar achternaam min of meer deelt met een bekende kunstenaar.”

Er gaat een brandalarm af. In de P.C. Hooftstraat wordt een achtergelaten brommerhelm onschadelijk gemaakt door de explosievenopruimingsdienst. Maar waarom die helikopters boven Amsterdam-Zuid cirkelen, blijft onduidelijk.

“Dat brandalarm is gebaseerd op een eigen ervaring. Toen ik in het Witsenhuis woonde, werd ik vaak ingeschakeld voor het haperende alarm. Dat ging al af als de gordijnen wapperden, bij wijze van spreken, maar dan moest ik de alarmcentrale weer bellen. Dat geluid van het alarm heeft zich in mij genesteld. In mijn boek is het de vraag wat er aan de hand is: is er echt een aanslag of een ramp gaande of is het slechts een oefening? Tja, we moeten de verfilming afwachten om te weten hoe het eruit gaat zien.”

Daniël Rovers, Vergeten meesters. Wereldbibliotheek, 480 blz., € 24,99

null Beeld
Meer over