PlusBoekrecensies

Boekenweek 2022: ijdeltuiterij van Ilja Leonard Pfeijffer en alle bekende ingrediënten van Marieke Lucas Rijneveld

Het thema van de Boekenweek is de overweldigende ervaring van een eerste liefde. Beeld Sjoukje Bierma
Het thema van de Boekenweek is de overweldigende ervaring van een eerste liefde.Beeld Sjoukje Bierma

Twee gelauwerde auteurs nemen de honneurs waar bij de 87ste Boekenweek. Ilja Leonard Pfeijffer scheef met boekenweekgeschenk Monterosso mon amour een ode aan wat literatuur vermag – en vooral ook aan zichzelf. In essay Het Warmtefort zijn alle Marieke Lucas Rijneveldingrediënten aanwezig.

Dieuwertje Mertens en Marjolijn de Cocq

Ilja Leonard Pfeijffer – Monterosso mon amour

Wie allergisch is voor de ijdeltuiterij van Ilja Leonard Pfeijffer, hoede zich voor het boekenweekgeschenk. Wie erin mee kan gaan geniete van het verhaal over Carmen, de diplomatenvrouw van middelbare leeftijd, waarin de schrijver zijn ijdeltuiterij op superieure wijze ten top voert en er de spot mee drijft.

Want Monterosso mon amour gaat natuurlijk eigenlijk helemaal niet over Carmen, haar onvervulde kinderwens en haar sneue man Rob, die het nooit verder heeft geschopt dan tweede man op onromantische locaties waar zij de sherry ontdekte. Carmen is het vehikel waarmee Pfeijffer zichzelf (opnieuw) in volle glorie ten tonele kan voeren en zijn stellingen over schrijverschap en boekenvak kan poneren.

Zij, die ooit een feministische boekhandel dreef, houdt zich nu bij de plaatselijke bibliotheek van een middelgrote gemeente onledig met subsidieaanvragen archiveren. Dan breekt de Boekenweek aan, waarvoor zij als ambitieus hoogtepunt een optreden van Ilja Leonard Pfeijffer heeft weten te regelen. Ooit zat hij bij haar in de klas, ‘het rillende, magere jongetje dat deze man heeft opgeslokt’, en zij heeft zichzelf als het mooiste meisje van de klas herkend in zijn autobiografische Brieven uit Genua.

‘Zijn lezing is superieur, in die zin dat hij ongenaakbaar en zelfverzekerd voldoet aan alle verwachtingen. Met geveinsde bescheidenheid en een paar meesterlijk getimede oprispingen van zelfironie camoufleert hij zijn hyperbewuste zelfpromotie. Hij weet precies wat hij doet. Hij spreekt zoals hij schrijft. Het lijkt hem geen enkele moeite te kosten om archaïsche volzinnen te improviseren.’

Anna Karenina

Het is de schrijver, overgekomen uit Genua, zoals altijd in vol ornaat, die een wending in Carmens leven triggert als hij ‘in de context van een betoog over de ambiguïteit van het fenomeen van het massatoerisme’, onderwerp van zijn bestseller Grand Hotel Europa, te spreken komt over het Ligurische kustplaatsje Monterosso. Daar beleefde zij als zestienjarige haar eerste liefde, nooit is ze haar belofte terug te keren nagekomen.

Die eerste liefde, daarmee is het thema van de Boekenweek netjes bediend. Maar nog veel meer gaat dit boekenweekgeschenk, doordesemd ook van literaire verwijzingen, van de openingszin van Anna Karenina tot de Italiaanse dichter en Nobelprijswinnaar Eugenio Montale – over dat wat literatuur vermag. Pfeijffer hamert, nee dreunt het er bij monde van Carmen in met de ene al dan niet archaïsche volzin na de andere.

Carmen heeft ‘de vervreemdende ervaring dat mondiale ontwikkelingen en de glimpen die dagelijks worden geboden op een in theorie verontrustende toekomst haar eigenlijk weinig meer kunnen schelen’. Nee, dan goede romans, laat Pfeijffer haar denken: ‘Zo is het om te duiken daarin onder de misselijkmakende golfslag van de tijd en de oppervlakkigheid te vergeten van de almaar draaiende winden van dagelijkse beslommeringen. Klinkt dat pompeus? Het kan haar weinig schelen hoe het klinkt, want het is zo.’

Maar dat hameren zij de schrijver vergeven. Want wat literatuur vermag, Pfeijffer laat het in het slotakkoord van deze novelle ook zien.

Marjolijn de Cocq

Marieke Lucas Rijneveld - Het Warmtefort

‘Ik was vier jaar en barstte van levenslust nu juf Christa in mijn bestaan was gekomen, en ze ons als eerste het liedje Hoofd, schouders, knie en teen aanleerde,’ schrijft Marieke Lucas Rijneveld in boekenweekessay Het warmtefort over zijn eerste verliefdheid. Het essay is een ode aan Rijnevelds ‘magische tijd’ op De Regenboog.

‘In het rijk der liefde – de basisschool De Regenboog 7 aan de Hasselmanstraat in Nieuwendijk (..) werd op 5 september een vleermuizenplaag geconstateerd,’ begint Rijneveld. Zolang de leegstaande school een verblijf voor maar liefst vijf soorten vleermuizen is, mag deze volgens de Wet natuurbescherming niet worden afgebroken.

Het is een mooi beeld, zo’n vervallen school vol vleermuizen. Hij schrijft: ‘Sinds ze er waren zag de hemel in het dorp niet zwart van duisternis of van de zoom van Gods mantel, maar van de handvleugeligen, en als je buiten liep en een rondje om de school maakte, hoorde je een soort gefluister door al die vleugelslagen.’

Een heerlijke Rijneveldzin, te herkennen aan het eigenzinnige, reformatorische, agrarische, archaïsche taalgebruik, opgesierd met Bijbelverwijzingen en gezegden als ‘De mens wikt maar God beschikt’. Ook in Het Warmtefort tiert het Rijneveldvocabulaire welig, denk aan woorden als ‘telraamverdriet’, ‘zetpoters’ en ‘luisterkuil’. Hij is gek op metaforen, die plukt hij zo uit de lucht. Wie van Rijneveld houdt, kan zijn hart ophalen.

Onderscheidend taalgebruik

Behalve het onderscheidende taalgebruik zijn ook alle andere bekende ingrediënten aanwezig; zijn jeugd op de boerderij, de broer die op twaalfjarige leeftijd omkwam bij een ongeluk, de bedrukte sfeer.

De school is een belangrijke plek voor Rijneveld. Zijn vader gaf er les en omdat thuis kou en rouw overheersten, was de school een prettig, veilig onderkomen; ‘een warmtefort’, waar Rijneveld warmte en troost vond in de blikken of de schoot van de juf; ‘de luisterkuil’, waar hij graag zat tijdens het voorlezen.

Toch dreigen die persoonlijke herinneringen af en toe op de achtergrond te raken, omdat Rijneveld wel erg veel aandacht besteedt aan de geschiedenis van dorp en school, opgetekend door Jan Biesheuvel in Van instituut tot regenboog (2001). Hij citeert er lustig op los. Deze passages doen soms aan als makkelijk ‘vulmiddel’ en zijn niet altijd even relevant met betrekking tot Rijnevelds liefdesverklaring aan de school.

Het kinderboek Matilda (1988) van Roald Dahl is ook erg prominent aanwezig in het essay. Het boek gaat over de liefde van een klein meisje voor boeken, maar ook over een verwaarloosd kind dat eindelijk gezien wordt door juf Engel.

Daarin herkent de auteur zijn eigen juffenliefde, hoewel die steeds oversloeg naar de volgende: ‘(..) alsof ik een luis was die steeds verblind raakte door de schoonheid van een ander iemand’ (..) Zij waren de eerste vrouwen na mijn moeder die belangrijk voor me waren.’ Het rijk der juffenliefde, ‘het warmtefort’, zal in de nabije toekomst worden neergehaald. Hoe neem je afscheid van iets wat zo dierbaar is? De afronding van het essay is voorspelbaar, maar de liefde voor deze plek druipt ervan af.

Dieuwertje Mertens

Meer over