PlusBoekrecensie

Biografie van Marnix Gijsen focust vooral op de nadagen van zijn schrijverschap

Marnix Gijsen, pseudoniem van Jan-Albert Goris, schreef meer dan honderd boeken in elk denkbaar genre. In zijn onlangs verschenen biografie maken we vooral kennis met Jan-Albert Goris de kosmopoliet.

Hans Renders
Marnix Gijsen doceerde in Leuven zijn colleges in het Frans. Beeld  ANP
Marnix Gijsen doceerde in Leuven zijn colleges in het Frans.Beeld ANP

Ooit was de Vlaamse schrijver Marnix Gijsen (1899-1984) vooral in Nederland een beroemd schrijver. Zijn romans Klaaglied om Agnes (1951) en De vleespotten van Egypte (1952) stonden steevast op de leeslijst van scholieren. Hoewel Gijsen in zijn jonge jaren met Paul van Ostaijen meeliep in een demonstratie om voor het Nederlands in openbare instellingen te pleiten, en van school werd gestuurd vanwege een door hem geschreven Vlaamsgezind pamflet, was hij zeer internationaal georiënteerd. Hij studeerde in Seattle en begon zowel in De Standaard als in De Morgenpost aan een serie reisindrukken uit Amerika.

Terug in België promoveerde hij op een Franstalig proefschrift en doceerde hij in Leuven zijn colleges in het Frans. Hij werd daarom door de flaminganten een ‘arrivist’ genoemd, iemand die voor de mooie baantjes zijn ideaal verloochende. Gijsen trok zich er niks van aan en bleef veel publiceren, nadat hij achtereenvolgens secretaris van de burgemeester in Antwerpen werd en kabinetschef op het ministerie van Binnenlandse Handel.

In 1929 trouwde hij met Julia de Bie, ‘tien centimeter groter en tien jaar ouder dan Bert Goris’, schrijft Bert Govaerts in biografie Dubbelman. Het huwelijk was op den duur geen succes. Na vijftien jaar kreeg Gijsen zoals hij zelf schreef a charwoman’s notice, de opzegtermijn die men een schoonmaakster gunt. Officieel scheiden wilde De Bie uit christelijke overwegingen niet.

Naast zijn drukke werkzaamheden als ambtenaar en journalist had Gijsen ook nog tijd om redacteur van het roemruchte Nederlandse literaire tijdschrift Forum te worden. Interessant is dat de toch vrijzinnige Gijsen bezwaar maakte tegen een verhaal van Victor Varangot waarin de twintigjarige Virginia haar maagdelijkheid verliest. Het verhaal werd toch gepubliceerd, waarmee er een einde kwam aan Forum.

Wereldtentoonstelling

In 1938 vertrok Gijsen naar New York om de Belgische deelname aan de Wereldtentoonstelling van 1939 in goede banen te leiden. Omdat er minder bezoekers waren dan gehoopt opende de Belgische tentoonstelling een jaar later, ook weer onder leiding van Gijsen, nogmaals in New York in de hoop de grote investeringen terug te verdienen. Gijsen en zijn echtgenote zaten dus in Amerika toen de oorlog uitbrak. Hij schreef zich de vingers blauw in News from Belgium en hij werd een bekende stem op de radio. Om hem daarom de ‘verzetsman’ Marnix Gijsen te noemen, zoals Govaerts doet, is wel wat overdreven.

Gijsen had de smaak van het moderne Amerikaanse leven te pakken, in vele opzichten. Hij ging naar de sportschool en droeg modieuze kostuums. Dertig jaar nadat hun huwelijk de facto over was, volgde in 1976 een officiële scheiding van Julia de Bie. Blijkbaar was hij in Amerika zo beroemd dat twee persbureaus er melding van maakten toen zijn secretaresse en minnares Leentje Bambust een zelfmoordpoging had gedaan. Hij kende haar al vanaf 1942. Meteen na de scheiding van De Bie trouwde hij met haar.

In 1947 boekte Gijsen succes met zijn roman Joachim van Babylon, een klassiek verhaal waarin de hoofdpersoon na de dood van zijn geliefde gaat nadenken over de liefde. Er waren tussenpozen dat hij in België verbleef, onder meer een tijdje als hoogleraar aan de universiteit van Leuven. Maar in 1964 werd hij benoemd tot ambassadeur in Amerika.

IJselijkste barbarismen

Govaerts is een vaardig stilist, maar we hadden toch wel wat meer over Gijsens schrijverschap willen lezen. Voorzover het Gijsens reputatie in de literaire wereld betreft, focust Govaerts zich bijna uitsluitend op de laatste jaren. De onlangs overleden Jeroen Brouwers opende naar aanleiding van de eerste delen van Gijsens Verzameld Werk de aanval. Hij noemde Gijsens proza ‘zodanig affreus, zodanig verwrongen, zodanig een knoedel van ijselijkste barbarismen, dat het zo onleesbaar is omdat het nog ternauwernood begrijpbaar is’.

Deze woorden ten spijt, Gijsen bleef populair. Zozeer dat hij in 1974 de Prijs der Nederlandse Letteren kreeg en in 1978 schreef hij het boekenweekgeschenk. In NRC Handelsblad verscheen een artikel van Maarten ’t Hart, als een soort vroege felicitatie voor Gijsens 80ste verjaardag, waarin hij de eerste vier delen van het Verzameld Werk nog ongenadiger besprak dan Brouwers. ‘Het lijkt me redelijk dat Gijsen het geld van die staatsprijs als smartegeld zou uitbetalen aan degeen die in staat is geweest al dit verzameld prulwerk te lezen.’

Het eindspel was bitter. In het jaar voor zijn dood in 1984, kwam de jonge schrijver Tom Lanoye met een artikel om het karwei af te maken. Gijsen was in zijn ogen iemand met grote oogkleppen ‘om zijn bekrompenheid intact te houden, zijn met die der padden te vergelijken zelfingenomenheid, zijn onwelriekendheid, zijn kindsheid, zijn rottenis’.

Vaak zijn biografieën verslagen van menselijke aftakeling, maar Govaerts heeft een schrijver even uit zijn graf gehaald om te laten zien dat hij toch echt dood is.

null Beeld

Dubbelman – Een biografie van Marnix Gijsen en Jan-Albert Goris

Bert Govaerts
Houtekiet, €29,99
390 blz.

Meer over