PlusAlbumrecensie

Bartók tilt het Ragazze Quartet naar een nieuw niveau

Erik Voermans

De zes strijkkwartetten van Bartók zijn vitaminen voor elk strijkkwartet. Vitamine B2 uiteraard, want B1 zijn de strijkkwartetten van Beethoven. Het Ragazze Quartet, bestaand uit Rosa Arnold (viool), Jeanita Vriens-van Tongeren (viool), Annemijn Bergkotte (altviool) en Rebecca Wise (cello), hebben de afgelopen jaren flink in de pot met vitamine B2 gegrepen. Dat heeft geleid tot de spectaculaire voltooiing van een project waar ze vijf jaar geleden aan waren begonnen en waarvan het album Bartók Bound Vol. 1 het eerste resultaat was.

Met Bartók Bound Vol. 2 is de berg beklommen, de top bereikt, en het uitzicht is nog indrukwekkender dan je had durven verwachten. De muziek van Bartók, de grootste en invloedrijkste Hongaarse componist van de vorige eeuw, heeft door meer dan het uiterste van de musici te vragen het Ragazze Quartet naar een nieuw niveau getild.

Fantastische muziek

Op Vol. 2 spelen de dames de kwartetten Drie, Vijf en Zes. Drie is samen met Vier Bartóks compactst gecomponeerde kwartet, wat hier betekent dat hij tot grotere structuren komt door kleine motieven aan elkaar te rijgen, ze met elkaar te verbinden, ze keihard op elkaar te laten botsen of ze met het nodige geweld in de mal van een opwindende boerendans te duwen.

Het gevolg is fantastische muziek, waarin met name het uiterst expressieve gebruik van het glissando in het oor springt. Ontzettend mooi is de naadloze overgang van het razend energieke en messcherpe tweede deel naar de relatieve kalmte, tederheid en sereniteit van het derde, waar de glissandi opeens een buitengewoon strelende werken krijgen, tot de muziek plotseling omslaat in het geweld van het slotdeel.

De vonken vliegen er bij de Ragazze vanaf. Heerlijk.

Het Vijfde kwartet, geschreven in 1934, is na het eerste deel aanzienlijk toegankelijker, vanwege de tonale akkoorden die in het weefsel opduiken, die vervolgens worden doorstikt met melodische aanzetten vol noten die ‘laddervreemd’ zijn; die niet in de bijbehorende harmonie passen. Die schuring heeft een zwaar ontroerend effect.

Opvallend is ook de nadrukkelijk polyfone opzet van de muziek. Zeker in het eerste deel kan er geen motief klinken of het wordt in een andere stem geïmiteerd. In de beide langzame delen, Adagio molto en Andante, overtreft Bartók zichzelf in poëtische mededeelzaamheid.

Bedroefd

In het Zesde kwartet (1939) schroeft hij dat nog een paar slagen verder op. Alle delen van Zes beginnen met de tempoaanduiding mesto; bedroefd. Het stuk werd dan ook geschreven op een moment in zijn leven dat er hoegenaamd niets meer te lachen viel (al zou het daarna nog erger worden). Zijn moeder stierf en zijn muziek was in Hongarije door de nazi’s in de ban gedaan. Hij besloot naar Amerika te emigreren, waar hij aan eenzaamheid en uiteindelijk een fatale ziekte, leukemie, in 1945 te gronde ging.

Die wetenschap geeft dat Zesde kwartet een nauwelijks te dragen tragische lading. Het Ragazze Quartet treft hier andermaal precies de juiste toon, waardoor de muziek zowaar een troostende werking krijgt.

Klassiek

Ragazze Quartet
Bartók Bound (Vol. 2)
(Channel Classics)

Meer over