PlusInterview

Auteur Philip Huff over zijn zeer onveilige jeugd: ‘Dit schrijven was herbeleven van pijn’

Met Wat je van bloed weet heeft Philip Huff een ongenadige autobiografische roman geschreven over het psychische en fysieke geweld dat zijn ouders elkaar en hun drie kinderen aandeden.

Marjolijn de Cocq
null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

Hij is hartpatiënt, schrijver Philip Huff (37). En vanwege corona is een nieuwe operatie die hij nodig heeft nu tweemaal uitgesteld. “Afhankelijk van mijn gemoed is het tot die tijd kwakkelen of klunen. Twee tot drie keer per week heb ik last van ernstige hartritmestoornissen. De kwaliteit van leven holt achteruit. Al heb ik dit al wel bijna twintig jaar geïntegreerd in mijn leven, ik merk dat mijn frustratie een nieuw punt heeft bereikt.”

Juist nu verschijnt Wat je van bloed weet, een roman die met veel emotie omgeven is omdat Huff schrijft over de mishandeling waaraan zijn oudere zus, zijn jongere broertje en hij jarenlang zijn blootgesteld. Ouders die elkaar de tent uitvechten. Kinderen die op eieren lopen, want het gevaar is er ook voor hen – en altijd voelbaar. Huff wijt zijn hartstoornis gedeeltelijk aan die ‘rukjeugd.’

U ontdekte al jong het schrijven als uitlaatklep. ‘Als ademen,’ zoals u schrijft.

“Het is een vorm van autonomie teruggrijpen. Over mijn operatie heb ik een opiniestuk geschreven in de krant. Dat heeft twee kanten. Het is een heel prettig privilege dat ik een podium heb om mijn verhaal te doen. Maar aan de andere kant verandert het, plat gezegd, geen fuck. Toch krijg ik door iets te begrijpen al meer rust, al is het niet zo dat ik het accepteer.”

“Begrijpen was het uitgangspunt van dit boek. Ik probeer altijd iets waar ik mee zit terug te brengen naar een schaakspel dat ik kan overzien. Ik heb mijn jeugd, mijn studententijd en mijn volwassen leven naast elkaar kunnen zetten , waardoor ik verbanden kon zien. Maar het is geen therapie in de zin dat de spanning er daardoor vanaf gaat. Om die eraf te krijgen, raad ik de psycholoog aan.”

U omschrijft die verschillende levensfases als matroesjka’s – u gaat terug naar de jongens die u bent geweest en nog altijd in u draagt. U schreef een versie van het eerste deel toen u 23 was, het is nu 14 jaar later.

“Ik had een flink aantal scènes in mijn computer van dingen zoals ik me die herinner. Zonder al te pathetisch te willen klinken: onprettige aangelegenheden. Op een gegeven moment zag ik dat ik er genoeg had om er een boek van te maken. Maar ik had afstand nodig. Dit schrijven was ook een herbeleven van pijn.”

Vrijstaand huis in Laren, rieten kap. Hockey. Ogenschijnlijke welstand. Maar één grote poppenkast, schrijft u. Naar buiten toe altijd de schijn ophouden.

“Kinderen schamen zich, zijn nog niet verbaal genoeg. In zekere zin is dit boek een weigering om nog langer mee te gaan in dat krachtenveld. Het is niet zo dat je twintig, dertig jaar ellende achter je laat. Dat draag je mee en als je zwijgt, laat je je ouders daarmee wegkomen. Als je je blijft scharen achter het narratief van de ouders dat er wél een veilige jeugd is geweest.”

“Ik wilde in lange lijnen weergeven hoe huiselijk geweld doorwerkt, al vind ik de term ‘huiselijk’ ingewikkeld; dat klinkt zo knus en privé. Maar ik wilde ook het kinderperspectief weergeven – hoe is dat voor zo’n kind, het kind dat ik ben geweest? Dat je maandag op school in het kringgesprek moet zeggen wat je dat weekend hebt gedaan. ‘Niks.’ ‘Niks?’ ‘Nee, niks.’ Iedereen lachen. Moest ik dan vertellen hoe het echt was? En ik wilde ook laten zien dat bepaalde privileges je niet overal tegen beschermen.”

Philip Huff Beeld MAX
Philip HuffBeeld MAX

Het geweld zoals u dat beschrijft was ook wel héél excessief. Ouders tegen elkaar, allebei de ouders tegen de kinderen.

“Niet het clichébeeld van de vader die zijn gezin tiranniseert. Maar een giftige dimensie waarbij geweld tussen ouders overslaat naar de kinderen. En de tirannie ervan blijft, zelfs als je er allang niet meer woont. Het is de macabere dans van mijn ouders waarbij je als kind wist: als ik dit zeg, dan gebeurt dat – en alles gaat doen om te voorkomen dat ‘dat’ gebeurt. Een heel schadelijke manier van denken die ontstaat door een heel kwalijke manier van opvoeden.”

U voelde ook een bijna wurgende verantwoordelijkheid voor uw jongere broertje.

“Ik heb in Nieuwsuur een hartverscheurend item gezien over kinderen die uit huis werden geplaatst en van elkaar werden gescheiden. Broertjes en zusjes, siblings, ze houden van elkaar. Ze zijn een rijkdom, de langste lijn in je leven, met hen zit je in het bootje. Het is heel kwalijk als een puber zich zo verantwoordelijk voelt voor zijn broertje dat hij zich los moest snijden van het gezin om zichzelf te kunnen redden. Ik beschrijf hoe de jongen die ik was die frustratie letterlijk uit door met een BB-gun op dat broertje te schieten. Als je hebt gelezen wat er vóór die scène komt, snap je hoe zoiets kan gebeuren. Ikzelf begrijp wat gebeurd is in elk geval beter.”

Een belangrijke, nooit verstuurde brief van zijn broer mocht hij integraal toevoegen. Geschreven aan het eenzame vijfjarige jongetje dat die vader ooit geweest moest zijn. Zoals ook het verhaal van de moeder het tegenwicht krijgt van gebeurtenissen uit háár jeugd.

“De zwaarte van het boek ligt bij het kind uit dit huwelijk dat ik was. Maar er zit ook een deeltje in waarin mijn ouders hun eigen verhaal krijgen. Als je daar moedwillig voor wegkijkt, doe je een John de Molletje. Maar in het geweld dat ik beschrijf, had ik geen zin om mijn ouders te ontzien. Omdat het immoreel is, en ook bullshit, ze de hand boven het hoofd te houden.”

U schrijft over de latente woede en agressie die u zelf opbouwde.

“Dat merk je vrij snel als je op de tennisclub je racket kapot staat te beuken, of dat je in een ruzie met een huisgenoot een deur intrapt. Als ik mijn ouders zag, voelde ik de woede in mijn merg aanmaakt worden. Zo diep zit het in mijn systeem. Het was ook een soort werkweigering voor het leven.”

U zei in het begin van dit gesprek: daarvoor raad ik de psychiater aan.

“Ook daar had ik een initiële weigering. Ik had een heel liefdevolle vriendin die dit misschien niet in de krant terug wil lezen. Zij wilde kinderen, ik niet. Maar ik wilde er ook niet met iemand over praten, dat vónd ik van een stupiditeit getuigen. Die relatie ging uit en dat is een van de hoogste prijzen die ik heb moeten betalen in mijn leven, want daarna ging het allemaal echt niet meer.”

Mensen die op de hoogte waren, een oom en tante, de ouders van die vriendin, vingen u soms op.

“Ik had ook een lief vriendje met lieve ouders. Maar bij die warme huishoudens te zijn was ook wrang, daaruit groeide een cynisme dat heel diep in mij trok: ik ben nu wel hier, maar straks moet ik weer naar huis.”

U werd er later mee geconfronteerd dat buurtgenoten, en een docent, het óók hadden geweten.

“Een eerdere versie van wie ik was zou nu briesen hoe ongelooflijk goor het is dat iedereen het er kennelijk over had zonder iets te doen. In de versie van nu probeer ik te benadrukken hoe liefdevol het is geweest van de mensen die wél wat hebben gedaan.”

Ik ervoer het boek als heel urgent. Dit móést geboekstaafd worden.

“Het is nooit mijn bedoeling boeken te schrijven die níét noodzakelijk zijn. Maar als een boek dat je hebt geschreven je diepst liggende zenuwen raakt, is het fijn te voelen dat het ook voor anderen die zeggingskracht heeft. Het taboe rondom de lange lijnen van huiselijk geweld is verstikkend, voor mij en vele anderen.”

“Ik ben trots op mijn broer en zus, met z’n drieën hebben we het gehaald. Ik ben niet de hele tijd boos meer, maar er zal altijd een restantje boosheid in mijn verdriet zitten. Mijn ouders hebben de pech dat ik schrijf. Maar wat ik schrijf is een gevolg van hun eigen handelen. Dit is wel echt een schreeuw, en het is fijn dat die wordt gehoord.”

WAT JE VAN BLOED WEET

Philip Huff

Prometheus, €22,50

288 blz.

Meer over