PlusTentoonstellingsrecensie

Anders Dickson: de hatseflatsenergie van een 21ste-eeuwse Jeroen Bosch

Anders Dickson tilt de surrealistische verbeelding naar een hoger plan met zijn collagesculpturen. Zijn installaties zijn zelfs zo vreemd en uniek, dat ze eigen soortnamen verdienen.

Edo Dijksterhuis
Het grootste werk in de tentoonstelling van Anders Dickson: een familie van surrealistische misfits op een podium, uitgestald op uitgespreide jassen. Beeld
Het grootste werk in de tentoonstelling van Anders Dickson: een familie van surrealistische misfits op een podium, uitgestald op uitgespreide jassen.

Zelden zie je kunst waaraan werkelijk geen touw vast te knopen valt. Bij Powercells, the commons van Anders Dickson is dat het geval. Alle visuele ingangen lopen dood, associaties blijven niet plakken en hoe vaak je ook om het werk heen loopt, je krijgt er geen grip op. Dat zou tot frustratie kunnen leiden, woede zelfs of een laconiek schouderophalen – wat nogal eens gebeurt bij hermetische conceptuele kunst. Maar dat gebeurt hier niet. Je blijft kijken, met een groeiende, blije opwinding over zoveel mysterie.

Wat helpt: Dicksons werk is onmiskenbaar aantrekkelijk, lekker zelfs. Dat komt door de gebruikte materialen: textiel, karton, plastic en vliegerpapier in verleidelijke snoepkleuren. Maar ook door de manier waarop die met zichtbaar maakplezier aan elkaar zijn geniet, geplakt en gespijkerd. Er spreekt een frisse hatseflats-energie uit die we kennen van vroege neo-expressionistische verfsmijters.

Op hol geslagen 3D-printer

Als je Dicksons werk formeel zou moeten classificeren dan zijn het collagesculpturen. Maar ze zijn zo uniek en vreemd dat ze eigenlijk schreeuwen om eigen soortnamen. ‘Kettingkastmachine’ bijvoorbeeld, voor de platte, doorzichtige dozen die als uithangborden aan de pilaren hangen, en waar slingers doorheen lopen, knoppen allerlei ingewikkelde functies doen vermoeden en plastic uitsteeksels aan de onderkant zitten waar je een elektriciteitssnoer zou verwachten.

In een afgescheiden ruimte hangen golvende vormen in heldere kleuren. Het is alsof een 3D-printer op hol is geslagen en emoji’s heeft gekruist met de afstandsbediening van een thuisbioscoop. Deze beelden doen ook denken aan schelpen, monden en zendschotels, wat de indruk versterkt dat hier iets wordt gecommuniceerd, maar dan wel op een frequentie die wij niet kunnen horen.

Vermomde schildpad

Het grootste werk in de tentoonstelling is een installatie met vormen op een podium die zijn uitgestald op uitgespreide jassen. Er is een integraalhelm waar eendenkoppen uit groeien, er zijn apparaten met klauwen, en iets wat een masker lijkt maar ook een schildpad in vermomming kan zijn.

De jassen liggen erbij alsof het oude huiden zijn die deze wezens hebben afgeworpen toen ze hun huidige incarnatie ingingen. In de kragen zijn labels genaaid met teksten als ‘another local disaster’ of ‘how I learned to love the medicine’. Als de spreuken in een Chinees gelukskoekje geven ze enigmatisch commentaar op deze familie van surrealistische misfits die ontsproten is aan het brein van een 21ste-eeuwse Jeroen Bosch.

Slechts één werk laat zich op het eerste gezicht redelijk makkelijk kennen. Het is het enige schilderij in de tentoonstelling. Te zien is een stad, verlaten en onheilspellend. Links staat een silhouet in de deurpost omgeven door een roze gevel. In een cirkel die lijkt op het ingezoomde detail van een technische tekening, schilderde Dickson een insect met enge, lange poten. Rechts werpt een persoon zich languit op de grond; het is onduidelijk of dat uit religieuze onderwerping is of pure uitputting.

Het is verleidelijk hier een verbeelding van een pandemie in te zien. Maar ook hier is de eenduidigheid ver te zoeken, zodat je kunt blijven kijken.

Powercells, the commons

Anders Dickson
Waar P////AKT, Zeeburgerpad 53
Wanneer t/m 29 mei

Meer over