Erik Jan Harmens. Beeld Artur Krynicki
Erik Jan Harmens.Beeld Artur Krynicki

Wie verzint nou zo’n afkorting, ass?

PlusErik Jan Harmens

Erik Jan Harmens

De woorden autisme en automatisme klinken bijna hetzelfde, maar de betekenis verschilt enorm. In mijn handelen en spreken gaat niets vanzelf. Elke beweging die ik maak, elk woord dat aan mijn mond ontsnapt, het is van tevoren overdacht. Toen ik nog Tinderde, gebruikte ik in mijn bio nooit het woord ‘spontaan’ om mezelf aan te prijzen. Wel andere dooddoeners, zoals ‘sportief’ en ‘gepassioneerd’.

Sinds ik anderhalf jaar geleden de diagnose autismespectrumstoornis heb gekregen, moet ik nog altijd lachen om de afkorting ‘ass’. Dat is ontzettend kinderachtig van mij, maar aan de andere kant: wie verzint nou zo’n afkorting?

Maar goed, ik heb dus ‘ass’ en niet zo’n beetje ook. Toen ik met de diagnose naar buiten kwam zei een vriendin: “Dacht ik al, je bent soms net een houten pop.” Ik vond dat kwetsend, maar ze had wel gelijk. Ik wandel graag, ik vrij graag, ik dans graag, maar soepeltjes gaat het niet. Ik mis olie tussen mijn raderen en daarom loop ik soms ook hopeloos vast.

Alles piept en kraakt bij mij ook in het sociale verkeer. Vanbinnen dan, want vanbuiten ziet het er normaal uit. Dat komt doordat ik lang als een amateurantropoloog het gedrag van anderen heb bestudeerd en dat ben gaan kopiëren. Ooit zat ik op een verjaardag in een kring van stoelen, met de zijkant van mijn vorkje oefende ik steeds wat meer druk uit op het dak van een tompouce.

Ineens gebeurde er iets; iemand kwam de huiskamer binnen en riep met zo’n André van Duinkeelstem: “Jaaaaaaa mensuuuuuuuh.” Hilariteit alom, de nieuwe gast was meteen de getapte jongen.

Ik ben die manier van binnenkomen gaan overnemen. Op literaire feestjes oogst ik er veel succes mee. Ik denk omdat mensen denken dat mijn act postmodern is: een relativering van het authenticiteitsconcept. Geen idee wat ik daarmee bedoel, maar op literaire feestjes kom je er prima mee weg. Meisjes die ‘sapioseksueel’ in hun Tinderbio hebben staan worden er zelfs hitsig van.

Elk woord dat aan mijn mond ontsnapt, is van tevoren overdacht. Voor ik iets zeg, overdenk ik hoe het kan vallen. Alle mogelijkheden passeren de revue en pas als ik zeker denk te weten dat ik niemand kwets en niet overkom als een idioot, zeg ik het. Het is alsof ik een correspondent in het buitenland ben, met een seconde vertraging op de lijn.

Soms blijkt wat ik zeker dacht te weten helemaal niet waar. Dan zijn mensen boos op me vanwege iets wat ik heb gezegd en zie ik ze op feestjes van een afstand naar me kijken, feestjes waar ik eerder nog glorieus mijn entree heb gemaakt met mijn ‘Jaaaaaaa mensuuuuuuuh’. Hun blikken dof van teleurstelling, als lang niet afgestofte medailles.

Erik Jan Harmens (1970) is schrijver en dichter. Hij schrijft elke week een column over prikkels en andere zaken.

Meer over