Roos Schlikker Beeld Lin Woldendorp
Roos SchlikkerBeeld Lin Woldendorp

Wie langzaam door het duister wordt meegezogen, wil zich vaak niet tonen

PlusRoos Schlikker

Roos Schlikker

Je ziet ze niet. De mensen met wie het slecht gaat.

Natuurlijk. Soms begint iemand op een terras te grienen vanwege een ontslag. Of staat er een stel hooggeschouderd te ruziën, waardoor de hele straat weet: loopt effe niet zo lekker. Of zit de buurtalcoholist ’s morgens al het alfabet te boeren op een bankje. Dat zijn ook mensen met wie het minder gaat. Maar wie langzaam door het duister wordt meege­zogen, wil zich vaak niet tonen.

Alle mensen die wakker worden en het liefst onder de wol blijven. Laat me slapen. Ogen dicht. Ik kan het niet. Vandaag wil ik er niet zijn. Het zijn er honderdduizenden. Maar we zien ze niet.

We zien ook niet de paniek. Elke ochtend om half zes rechtop in bed. Ik moet eruit. Nee, ik moet blijven liggen. Ik ben zo moe. Ik heb geen rust.

We hebben er geen oog voor. Degenen die aarzelend in de Etos bij het supplementenschap staan en maar weer een vitaminepreparaat kopen dat de stemming gunstig beïnvloedt.

Er is geen ruimte voor. Voor hen die in zakjes blazen, zweet in de bilnaad, vlak voor ze de kantoortuin binnenwandelen omdat ze weer een dag ‘lekker gaan knallen’.

Je ziet ze niet. De mensen met wie het slecht gaat. Mij zag je ook niet. Ja, ik kwam gewoon mijn bed uit. Ik schreef stukjes. Ik verscheen op werkmeetings. In televisie-­uitzendingen zelfs. Maar je zag me niet echt. Een enkeling die scherp blikte, viel iets op. ‘Je bent zo rustig.’ Maar ik was niet rustig. Ik was er niet.

In pogingen mezelf terug te vinden schreef ik me in voor talloze online ‘pluk je geluk’-cursussen, ik las en mediteerde me scheel, keilde ashwagandha en sint-­janskruidtabletjes naar binnen als waren het smarties. Het hielp niet. Ik, dochter van een bipolaire vrouw, heb altijd de zon in mijn kop gehad. Tot er een grauwsluier voor verscheen.

“Je hebt niet de ziekte van je moeder,” verzekerden artsen me. Maar waarom trok de zwaarte me omlaag? Niemand weet het. De leeftijd. Hormonen. Migrainemedicatie. Onverwerkte rouw. Een beetje van alles. Nooit had ik gedacht dat de huisarts tegen mij het woord ‘depressie’ zou zeggen. Maar het gebeurde. En ik sprak er verder met niemand over.

Je ziet ze niet. De mensen met wie het slecht gaat. Die de somberte als een verzwaringsdeken over zich heen voelen l­­iggen. Want ondanks al die stof zijn ze naakt, zo naakt.

Deze week herkende ik mezelf opeens weer. De juiste hulp (praten en pillen) zet zoden aan de dijk. Ik bezie de wereld zoals ik hem 47 jaar bekeken heb. Met een natuurlijk goed humeur. En een zekere gretigheid.

Toch voel ik me wankel. Want wie eenmaal van een ladder lazert, blijft als hij weer omhoog klautert altijd een beetje bibberen.

Het is ironisch. Ik, die eindeloos schreef dat psychische problemen uit het verdomhoekje moeten, schijt zeven kleuren.

Omdat ik me hier en vandaag wel laat zien. Maar dat durf ik pas nu het eindelijk beter gaat.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Meer over