null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Waarom kan ik wel verlekkerd in een boek over voetbalshirts bladeren, maar laat deze vogelgids me koud?

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

In de parkjes bij mij in de buurt zie je ze steeds vaker. Mannen met verrekijkers. Soms een vrouw, maar bijna altijd mannen.

Als ik iemand met een verrekijker zie, moet ik altijd aan Kees Kneppelhout denken.

Kees Kneppelhout was voor ons het kneusje van de klas. Hij kon niet voetballen, speelde hobo, en kreeg een 10 voor zijn spreekbeurt over vogels.

Kees ging vaak de Kruisbergse bossen in met zijn verrekijker. We zagen hem weleens op onze strooptochten op de woensdagmiddagen. Als hij ons zag, ging hij er snel vandoor.

Eén keer betrapten we hem toen hij op zijn buik tussen de bomen lag met de verrekijker voor zijn ogen.

“Zit je weer naar naakte vogels te gluren?” riepen we.

“Stil,” zei Kees, op een dwingende toon die we niet van hem kenden, “hier zitten appelvinken.”

Hier zitten appelvinken.

Het had op ons de uitwerking alsof Kees een bezwering had uitgesproken. We stonden als aan de grond genageld. We lieten Kees met rust. We liepen weg. We walsten in stilte door de maisvelden.

Ik heb nooit een appelvink gezien. Ik ben geen vogelaar.

Maar in deze wonderlijke tijd is in velen wel de vogelaar opgestaan. Misschien hebben zij zich laten inspireren door de Postcodeloterij. Bij mij plofte in elk geval kortgeleden een boek op de mat: Vogels in Nederland. Blijkbaar had ik een prijs gewonnen.

Het groen in om vogels te zien, tot voor een week zo ongeveer de enige buitenhuiselijke activiteit die nog toegestaan is.

Humberto Tan schreef het voorwoord. ‘Op vogels raak je nooit uitgekeken, ze blijven je verbazen en inspireren. (…) Ze zijn overal, ook vlak bij huis. Ga eropuit, gebruik uw ogen (en een verrekijker) en het avontuur kan beginnen.’

Niet naar het café, maar vogels kijken. Een avontuur? Je moet er maar zin in hebben.

De woorden van Humberto Tan maakten niets in me los. Maar ik was toch benieuwd naar de vogel van Kees Kneppelhout. Die wilde ik weleens zien, een soort tribute to Kees, omdat we hem vroeger zo pestten. Ik had mijn laarzen al aan.

In het register kwam ik de appelvink echter niet tegen. Achter in het boek zat een folder: Vogels in Nederland. Veldgids. Past zo in je binnenzak. De blauwborst, de kneu, de putter. Geen appelvink.

Het avontuur eindigde nog voor het was begonnen.

Waarom kan ik wel verlekkerd in een boek over voetbalshirts bladeren, maar laat deze vogelgids me koud? Waarom heb ik online nog geen verrekijker besteld? Welke pil moet ik slikken om een vogelaar te worden? Waarom lukt het zelfs Humberto Tan niet me over de streep te trekken?

‘De boomkruiper is het makkelijkst te herkennen aan de heldere roep en weinig variabele zang,’ lees ik in Vogels in Nederland. Het zal wel.

We hebben nooit gevraagd of Kees Kneppelhout die middag de appelvink ook echt heeft gezien.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over