Femke van der Laan. Beeld Artur Krynicki
Femke van der Laan.Beeld Artur Krynicki

Toen pas hoorde ik de sirenes

PlusFemke van der Laan

Femke van der Laan

Ik heb de bezem gepakt. Er liggen iepenzaadjes op de grond, in de gang, in de keuken, in de woonkamer. Kleine blaadjes lijken het, de dunne vliesjes met de zaadjes erin. Ik kijk naar de dichte ramen en fantaseer hoe ze omhooggekomen zijn. Ik weet wel dat we ze mee hebben genomen onder onze schoenzolen, dat ze eraan vastgeplakt hebben gezeten of in het profiel terecht zijn gekomen, en zo de trap op zijn gebracht, het huis in, maar tegelijkertijd stel ik me voor dat ze naar binnen zijn gedwarreld, beneden, zonder ons, de drempel over tot aan de trap en dat vervolgens, elke keer als er iemand een deur even opendeed in het trappenhuis, een kleine werveling ontstond in de lucht, waardoor de iepenzaadjes naar boven zijn gewenteld, tot aan onze drempel, en erover, de gang in, naar de keuken, en de woonkamer. Helemaal zelf. Naar driehoog.

Ik houd de bezem maar met een hand vast, veeg de zaadjes van de woonkamer naar de gang naar de keuken. Slepen is het meer, met de bezem achter me aan. Of een lange aai. Het zijn er maar een stuk of tien.

Ik denk aan gisteravond, aan de helikopters die ik hoorde, eerst eentje, toen meer. Ik lag in bed en zag weer voor me hoe ik ’s middags door de opwaaiende iepenzaadjes was gefietst, hoe het had geklonken, het geritsel, hoe ik met mijn ogen had geknipperd. Ik draaide mijn hoofd opzij zodat mijn beide oren niet meer op het kussen lagen en ik luisterde naar het geluid van de helikopers en vroeg me af of het moeilijk was, een helikopter besturen als het zo hard waait. Daarna zag ik de zaadjes van de esdoorn voor me, de kleine helikopertjes, die ik als kind met twee handen tegelijk de lucht in gooide en die draaiend als de rotorbladen van een Chinook weer naar beneden kwamen.

Toen pas hoorde ik de sirenes. Tussen de windstoten door. Het waren er veel.

Ik had boven mijn hoofd gegraaid, mijn telefoon gepakt, uitgezocht wat er aan de hand was. Ik las het nieuws en daarna lag ik weer met twee oren van het kussen te luisteren naar de wind en in die stilte was ik alleen maar dankbaar dat er drie kinderen in huis waren, in bed lagen zelfs, en dat de storm buiten aan ons voorbijging.

Ik aai de iepenzaadjes tot naast de prullenbak, raap ze op met mijn vingers en laat ze in de prullenbak dwarrelen. Allemaal tegelijk. Ik hoor geen geritsel. Buiten waait het al bijna niet meer.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over