Femke van der Laan.
 Beeld Artur Krynicki
Femke van der Laan.Beeld Artur Krynicki

Toch verschijnt er om de haverklap eentje op mijn scherm

PlusFemke van der Laan

Femke van der Laan

Ik ben even weg. Net geen weekje. Op een plek met de zee in mijn rug en voor mijn neus weilanden, helemaal tot waar de bomen op de horizon lijken te staan, vastgespijkerd op het dunnen lijntje, de bomen waar ik de zon elke ochtend achter vandaan zie komen, eerst een korte sprint zie maken, en die daarna langzamer omhoog gaat, naar boven, zonder dat hij ergens achter verdwijnt, achter een gebouw, achter een rij huizen, wat ik mooi vind om naar te kijken en waardoor ik in alle vroegte vraagtekens zet bij mijn leven in de stad, me afvraag of ik niet meer gemaakt ben voor de natuur.

De kinderen missen me. Zij bleven in de stad. Er wordt goed voor ze gezorgd, maar toch verschijnt er om de haverklap eentje op mijn scherm, met een berichtje of met een gezicht, met vragen die niet kunnen wachten, vragen over volgende week of over deze zomer of over de rest van hun leven.

Of met de vraag of ik ze mis. Als ik nee zeg, wordt er gelachen. Als ik antwoord met een wedervraag – Wanneer dan? Wanneer moet ik je missen? – en daarbij dramatisch mijn handen in wanhoop omhoogsteek of op de grond ga liggen alsof er van alles pijn doet, dan lachen ze nog harder. Ze worden gemist.

Ik stuur ze foto’s, van mijn uitzicht, van zes herten op het weiland, een fazant, en ik schrijf erbij: kijk, natuur. Dan antwoorden ze ‘echt mooi’ of ze sturen gezichtjes met hartjes als ogen, waardoor ik ze toch even mis, tot ze dan weer vragen hoe laat ik thuiskom overovermorgen of overmorgen of morgen. “Maar hoe laat precíés?” Dan stuur ik ze een filmpje van een konijn dat van rechts naar links het weiland doorkruist en ga ik weer verder met heel erg van de natuur houden.

Gisteravond stuurde de middelste ook een filmpje. Van haar vis. Haar natuur. Hij lag op zijn zij, tegen het wateroppervlak. Af en toe probeerde hij om zijn as te draaien of naar beneden te zwemmen, maar het zag er allemaal wanhopig uit. Alsof er van alles pijn deed. Eronder schreef ze of ik hem dood wilde maken als ik terug was. Erachteraan kwam een gezichtje met tranen.

Ik belde haar. Samen keken we naar de kom. Ze had al opgezocht hoe ik het moest doen. Er kwam geweld aan te pas. Daarna vroeg ze hoe laat ik thuis zou zijn, overmorgen.

Toen ik vanmorgen naar de zon keek, vroeg ik me niet meer af of ik gemaakt was voor de natuur.

Ik kom rond zes uur thuis. Precies.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over