Johan Fretz. Beeld Artur Krynicki
Johan Fretz.Beeld Artur Krynicki

Sommige VVD’ers zaten te lachen als pubers die een scheet hebben gelaten

PlusJohan Fretz

Johan Fretz

Lilian Marijnissen nam het woord. Ze onderbrak de maidenspeech van VVD-Kamerlid Ruud Verkuijlen liever niet, maar wilde wel wijzen op de wrange timing. Uitgerekend tijdens dit debat, over het toeslagenschandaal, kon de VVD nu niet worden bevraagd of onderbroken.

Marijnissen sprak ijzersterk: niet sentimenteel of theatraal, maar kalm en kraakhelder, in naam der rechtvaardigheid, in naam van al diegenen in de verdrukking die telkens opnieuw worden vermorzeld door de staat.

Verkuijlen reageerde onaangedaan: hij wilde de maidenspeechtraditie toch graag intact houden. (Daarmee verried hij dat dit geen vergissing was, maar ijskoude strategie.) Wat VVD-Kamerleden lachten besmuikt om Marijnissen, onder wie Bente Becker (die zich er dagelijks hard voor maakt dat vluchtelingenkinderen kunnen blijven slapen in lekkende tenten met bijtende ratten). De toeslagenouders hadden de zaal inmiddels reddeloos verlaten.

Ik keek naar de VVD-bankjes, op zoek naar een spoor van schaamte of wellevendheid. Niets. VVD’ers zijn beter in staat om empathie op te brengen voor mensen die twee uur in de rij staan op Schiphol dan voor mensen wier levens onder hun politieke leiding zijn vernietigd.

Ik moest denken aan vroeger. Aan die keer dat ik, omdat mijn sportbroek kapot was, maar besloot te gaan gymmen in een al gedragen onderbroek. Aan hoe ik er door lachende klasgenoten op werd gewezen dat daar remsporen op zaten. Ik was zes. Zou een van de VVD-fractieleden, of anders een van die jolige JOVD’ers die op hun website schrijven dat ‘een uitkering geen hangmat is’, ook maar voor een fractie beseffen hoe vernederend en destructief armoede kan zijn?

Ik dacht aan alle ouders die met deze laffe truc van de VVD wéér een trap na kregen. En toen aan de tijd dat het thuis nog slechter ging, en mijn vader en ik rondzwierven van logeeradres naar logeeradres, langs opvanghuizen waar het rook naar doorgekookte aardappelen. Tot de maatschappelijk werker er ten slotte maar op aandrong dat ik beter een tijdje in een pleeggezin kon verblijven.

Aan hoe ik op een dag aankwam in een vreemd huis, met vreemde mensen, die enorm hun best deden, en aan hoe ik me juist daardoor zo ontheemd voelde. Door hoe nadrukkelijk lief ze tegen me spraken: de pleegouders, de kinderen van het dorpsschooltje, gewoon: zoals je praat tegen iemand met wie je medelijden hebt. Medelijden is het laatste dat een kind wil.

Na een week belde ik mijn vader huilend op. Hij kwam me meteen halen. Ik hield hem stevig vast. Voor hoeveel toeslagenouders en kinderen is de hoop op zo’n hereniging inmiddels vervlogen?

VVD’ers Judith Tielen en Thom van Campen zaten stom te lachen, zoals pubers die een scheet hebben gelaten. Premier Rutte sprak over problemen in de jeugdzorg alsof hij die niet zelf had veroorzaakt met zijn als decentralisaties vermomde bezuinigingen. Het is ongelooflijk moeilijk om strijdbaar te blijven in het oog van zo veel cynisme en kwaadaardigheid, maar Nederland: we zijn het verplicht aan al die ouders en al hun kinderen in het donker.

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij schrijft elke zaterdag een column voor Het Parool.