Natascha van Weezel. Beeld Artur Krynicki
Natascha van Weezel.Beeld Artur Krynicki

Over Arnon Grunberg zei mijn docent: ‘Wij behandelen geen pulp’

PlusNatascha van Weezel

Natascha van Weezel

Donderdag ontving Arnon Grunberg de P.C. Hooft-prijs voor zijn oeuvre. Ik zag het nieuwsbericht voorbijkomen en kon een kleine glimlach niet onderdrukken. “Toch geen pulp,” fluisterde ik. Opeens waande ik me twintig jaar terug in de tijd.

Op het Vossius Gymnasium was ik niet bepaald een intellectueel. Lezen deed ik niet en de samenleving boeide me allerminst. Eigenlijk hield ik me vooral bezig met jongens en merkkleding. Tegenwoordig schaam ik me hier een beetje voor, al begrijp ik waar mijn houding vandaan kwam: het was niets anders dan rebels pubergedrag.

Ik kom uit een gezin waar literatuur, engagement en politiek belangrijk waren. Mijn ouders waren allebei journalist. Bij ons thuis ging het veelal over maatschappelijke vraagstukken. Bovendien stond ons hele huis vol met boekenkasten – en dan bedoel ik ook écht het hele huis. Een voorrecht om zo op te groeien, al dacht ik daar toen anders over.

Op school kregen we bij Nederlands het subvak literatuur. De schrijvers die we behandelden waren stuk voor stuk hoogstaand: Mulisch, Reve, Hermans. Ik vond deze mannen doodsaai – tegenwoordig lees ik de ‘grote drie’ graag, maar indertijd voelde ik er niets bij. Hun boeken hadden niet veel te maken met mijn belevingswereld.

Rond mijn vijftiende ging ik op zoek naar mijn Joodse identiteit. Dus liep ik naar onze boekenkast die volstond met Holocaustliteratuur. Mijn oog viel al snel op Blauwe Maandagen van Arnon Grunberg. Dit eigentijdse boek las ik in een ruk uit. Wat herkende ik veel! In het gezin van de hoofdpersoon was de oorlog – tussen de regels door – continu aanwezig. Zo werd er op feestjes, net als bij ons, altijd even stilgestaan ‘bij degenen die er niet waren, maar wel hadden kúnnen zijn’.

Trots vertelde ik aan mijn docente Nederlands dat ik een spreekbeurt wilde houden over Blauwe Maandagen. Ze lachte me letterlijk uit: “Wij behandelen geen pulp.” Prompt stopte ik met lezen.

Pas een aantal jaar later omarmde ik mijn liefde voor literatuur definitief. Dat had te maken met een andere docent Nederlands, meneer L. In de zesde klas begon ik weer over Grunberg. En tot mijn grote vreugde zei hij: “Als jij daar iets bij voelt, moet je hem zeker op je literatuurlijst zetten.” Voor mijn eindexamen haalde ik een negen.

Ik begrijp dat er een bepaalde standaard wordt gehanteerd bij literatuuronderwijs. Het lijkt me niet de bedoeling dat jongeren uitsluitend boeken lezen die je leren hoe je een succesvolle influencer wordt. Maar als een leerling wordt gegrepen door de belevingswereld die een bepaalde auteur schept (of dit nou Joods-Amsterdam is, een gereformeerd dorp of de Ghanese gemeenschap in de Bijlmermeer), moet dat altíjd worden gestimuleerd. Daarom gun ik alle middelbare scholieren hun eigen Arnon Grunberg én een docent als meneer L.

Natascha van Weezel (1986) is journalist. Elke maandag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? natascha@parool.nl.

Meer over