Opinie

Opinie: ‘Wil Amsterdam nog een vrijplaats zijn?’

De coronacrisis heeft zware gevolgen voor de culturele sector, maar is lang niet het enige dat de positie van de kunstenaar in Amsterdam in het gedrang brengt, stelt Jaïr Stranders. Hij reflecteert op de verhouding tussen de stad en de kunsten.

Het Parool
De culturele sector protesteert in Den Haag tegen de gevolgen van de coronacrisis voor de culturele sector met een loper gemaakt van posters van alle geannuleerde voorstellingen en concerten.  Beeld ANP
De culturele sector protesteert in Den Haag tegen de gevolgen van de coronacrisis voor de culturele sector met een loper gemaakt van posters van alle geannuleerde voorstellingen en concerten.Beeld ANP

Vlak voor de jaarwisseling besloot de Raad van State van onze zuiderburen tot schorsing van de kort daarvoor afgekondigde sluiting van de culturele instellingen in het land; de raad oordeelde dat de maatregel disproportioneel was, omdat andere sectoren, anders dan hier in Nederland, wel mochten openblijven. Het nieuws van deze uitspraak werd volop gedeeld in mijn socialemediabubbel. Daar ligt een in de culturele sector heersend sentiment aan ten grondslag: de kunsten en kunstenaars in ons land zitten al jaren in de hoek waar de klappen vallen.

Dit sentiment is zeker niet op illusies gebaseerd. Al zijn de bezuinigingen van een decennium geleden – zogenaamd gemotiveerd door de financiële crisis – hier en daar wat teruggedraaid, toch wordt de intrinsieke waarde van kunst voor onze samenleving door een aanzienlijk deel van diezelfde samenleving tot op heden veronachtzaamd, tot op het hoogste niveau in Den Haag.

Moeite om rond te komen

Kijk bijvoorbeeld naar hoe lang het duurde voordat er in de coronapersconferenties gerefereerd werd aan de culturele sector. En terwijl er zelfs gelobbyd moest worden voor coronanoodsteun voor de culturele sector, zien we nu na bijna twee jaar maatregelen dat het verwachte trickledowneffect er nauwelijks is geweest, met alle gevolgen van dien voor de vele zzp’ers in deze sector. Kunstenaars, technici en freelancemedewerkers van culturele instellingen hebben moeite rond te komen, waardoor de ongelijkheid met werknemers in dienstverband groeit. Sommigen laten zich omscholen of moeten noodgedwongen goedkopere woonruimte buiten de grote stad zoeken.

Dergelijke ontwikkelingen, al ruim voor de coronacrisis ingezet, zijn voor de toekomst van Amsterdam, historisch gezien een plek met een (inter)nationale reputatie van een vrijdenkende en open stad waar kunstenaars van heinde en verre graag wonen en werken, zeer zorgwekkend. Toen ik eind jaren negentig in deze stad aankwam om aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten theater te gaan studeren, was de stad een flink stuk vrijer, avontuurlijker en rauwer.

Zeker, er waren misstanden, zoals drugsoverlast, onderwijsachterstand en wijken met veel kansenongelijkheid en armoede, maar er was ook fysieke én mentale ruimte voor de kunsten om autonoom buiten de gebaande paden te treden. Om een vrijplaats te creëren waarin wij zonder kleerscheuren – of erger – onszelf en elkaar konden bevragen. Zo heb ik onder meer in verschillende leegstaande gebouwen op het nog niet vercommercialiseerde en aangeharkte Westergasfabriek- of NDSM-terrein inspirerende theateravonden mogen meemaken; dat dit soort vrije ruimte bestond, rekte de verbeelding op.

Verschraling

Velen die ik de afgelopen tijd sprak, werkzaam in de culturele sector, vragen zich af of de stad de verschraling van de positie van de kunsten en kunstenaars nog voldoende aandacht geeft. Er is namelijk (terecht) veel prioriteit voor huidige crises – woningmarkt, klimaat, energie, economie –, maar daardoor blijft onderbelicht dat velen in de kunsten steeds afhankelijker worden van incidentele private fondsen en hun beroep moeilijker kunnen uitoefenen door gebrek aan werk- en leefruimte.

Er zijn in Groot-Amsterdam nauwelijks nog buurten te vinden met bestemmingsvrije locaties in de marge. En als die er wel zijn, dan zijn de kunstenaars vooral welkom onder het mom van ‘verbinding’, met uiteindelijk gentrificatie en huizenprijsstijging tot gevolg, wat weer ten koste gaat van de culturele diversiteit in die buurten; voorbeelden hiervan te over de afgelopen jaren.

De voorheen goede relatie tussen de kunsten en de stad komt door dit alles steeds meer onder druk te staan. Ik zie het beeld voor mij van een gesprek tussen ooit heel goede vrienden, van wie de een inmiddels niks meer terugzegt door te veel andere preoccupaties en zo onvoldoende gehoor kan geven aan de noden van de ander. Natuurlijk, er is wel een gesprek: er is immers een kunstbeleid met bijbehorende subsidieregelingen, er wordt benadrukt hoe belangrijk de kunsten zijn ter bevordering van de sociale cohesie, en de focus op meer diversiteit en inclusie beoogt de kunsten toegankelijker en veiliger te maken voor meer mensen, zowel voor kunstenaars als publiek.

Eenvormiger

Maar wat is de waarde hiervan, als je tegelijkertijd gedoogt dat ook deze Amsterdamse burgers zich niet gehoord voelen en de stad zelfs verlaten? Als door de stijging van de huizenprijzen en de vercommercialisering van de (huur)woningmarkt de bevolkingssamenstelling en het straatbeeld eenvormiger worden? Als door de nadruk op sociale cohesie de kunsten meer en meer geacht worden in de pas te lopen met beleidsdoelen, ten koste van pluriformiteit aan ideeën en constructief kritisch geluid?

Juist in deze tijden, waarin onze samenleving door urgente thema’s, zoals klimaatverandering, toenemende ongelijkheid en het verlies aan vertrouwen in elkaar en de politiek, flink op de proef wordt gesteld, hebben we kunst nodig die buiten de gevestigde kaders durft te treden. Laat Amsterdam de Huizingalezing van Maxim Februari uit 2020 ter harte nemen, waarin hij een pleidooi houdt voor ‘slechte kunst’, ‘die niet dienstbaar is aan wat veilig is en goed en gezond’.

Wil Amsterdam nog een vrijplaats zijn? Dan wordt het tijd om die actief de ruimte te geven en te cultiveren. Het zou daarom de stad sieren als, met het oog op mogelijke bezuinigingen om de klappen van de coronacrisis op te vangen, de kunsten ontzien worden. Om zorg te dragen voor de mensen die aan die vrijheid inhoud geven; in hun denken en doen, in de kunst. Niet omwille van het vestigingsklimaat. Omwille van de stad en haar bewoners.

Jaïr Stranders is filosoof, (theater)docent, coach, artistiek leider van Theater Na de Dam en o.a. bestuurslid van de Amsterdamse Kunstraad. Beeld -
Jaïr Stranders is filosoof, (theater)docent, coach, artistiek leider van Theater Na de Dam en o.a. bestuurslid van de Amsterdamse Kunstraad.Beeld -
Meer over