Opinie

Opinie: ‘Vergeet de contractarbeid door koelies niet, ook dat is het slavernijverleden’

De rol van Nederland in de slavernij krijgt terecht veel aandacht, maar één aspect blijft onderbelicht volgens Hariëtte Mingoen en Johan Raksowidjojo.

Terugkeren zat er voor veel koelies niet in. Voor sommige nazaten werd het leven buiten de plantages beter, zoals in deze huizen in Paramaribo. Beeld Getty Images
Terugkeren zat er voor veel koelies niet in. Voor sommige nazaten werd het leven buiten de plantages beter, zoals in deze huizen in Paramaribo.Beeld Getty Images

Gisteren, 9 augustus, was het 131 jaar geleden dat de eerste groep Javaanse contractarbeiders aankwam in Suriname. In Nederland is dit weinig bekend, in tegenstelling tot het slavernijverleden dat veel wordt belicht om de Nederlandse betrokkenheid bloot te leggen: van de excuses van burgemeester Femke Halsema, de spijt en berouw van premier Mark Rutte in de aanloop naar herdenkingsjaar 2023, tot de wens van wethouders van de vier grote steden om 1 juli, de dag van de afschaffing van de slavernij, tot een nationale feestdag te maken.

De politieke en museale aandacht voor het slavernijverleden, gelukkig inclusief de Oost, vinden wij terecht. Het stelselmatig en bewust ontnemen van vrijheid en waardigheid is mensonterend en verwerpelijk. Maar bij al deze uitingen ontbreekt de aandacht voor de andere bladzijden in de geschiedenis waarin mensen onder verkapte slavernijomstandigheden verplicht werden arbeid te verrichten.

De systematische handel in mensen is niet opgehouden na de afschaffing van de slavernij. Ze werd voortgezet bij de werving van arbeiders, door de kolonialen koelies genoemd, voor de plantages in Suriname. Dit gold in mindere mate voor de werving van Brits-Indische contractarbeiders, beter bekend als Hindostanen. Zij werden onder het toeziend oog en bescherming van het Brits bestuur geworven. Chinezen en Javanen in Indië daarentegen werden voor particulieren geworven onder hetzelfde gezag dat verantwoordelijk was voor het koloniaal bestuur in de Oost en in de West. Hoewel het de schijn heeft van vrijwilligheid, is dit niets anders dan ronsel en handel in mensen.

Armoedig bestaan

Tussen 1890 en 1939 werden met 96 scheepstransporten 32.956 Javanen vanuit Nederlands-Indië naar Suriname vervoerd. Het merendeel kwam aan in een periode waarin de Surinaamse economie zwaar leed onder het afnemend belang van plantagecultures aan het eind van de 19de eeuw tot na de Eerste Wereldoorlog. Ondanks contractuele verplichtingen van de werkgever werden ze slecht behuisd en slecht behandeld; een armoedig bestaan. Het beleid om voornamelijk mannen te werven, creëerde een groot vrouwentekort waardoor van gezinsvorming en een normaal gezinsleven geen sprake kon zijn. Onder armoedige en slechte hygiënische omstandigheden leden velen aan ziekten waaraan ze heel jong stierven. Baby’s werden dood geboren en er was een grote zuigelingensterfte. De contractueel vastgelegde vrije terugkeer naar Indië, na vijf jaar arbeid, werd niet altijd nagekomen. Vaak was er geen schip beschikbaar en moesten zij een nieuw contract afsluiten om hun recht op vrije terugkeer niet te verliezen. Zieke contractanten werden gerepatrieerd in plaats van te worden behandeld totdat ze in een betere conditie verkeerden om de terugreis te ondernemen.

Door de koelieordonnantie voor de contractarbeiders waren zij onderworpen aan de zogenaamde poenale sanctie: een ondernemer mocht optreden als politie en rechter tegelijk om zijn arbeiders te straffen.

Cultuurstelsel

De contractarbeid komt voort uit hetzelfde machtscentrum dat verantwoordelijk is voor de slavenhandel in de Oost en in de West. De tentoonstelling Slavernij in het Rijksmuseum toont de verwevenheid tussen wat in de Oost en de West gebeurde pijnlijk aan. Inkomsten uit de één werden ingezet voor transacties in de ander. Zo ontvingen de plantage-eigenaren in Suriname na de afschaffing van de slavernij compensatie voor elke slaaf die ze moesten laten gaan. Die compensatie werd betaald uit de winsten van het Cultuurstelsel dat in Nederlands-Indië werd opgelegd aan de bevolking van Java in 1830-1870. In dat Cultuurstelsel werden boeren verplicht om op een vijfde van hun grond commerciële gewassen als koffie, indigo, thee en suiker te verbouwen. Deze producten moesten geleverd worden aan het gouvernement. Wie geen grond bezat, werd verplicht maximaal 66 dagen per jaar onbetaald voor het gouvernement te werken.

Slavernij, cultuurstelsel en contractarbeid liggen in elkaars verlengde. Ze zijn bedacht en geregisseerd vanuit hetzelfde bestuurs­systeem, gestoeld op imperialistische en kapitalistische denkbeelden. Daarom mogen we de geschiedenis van de contractarbeid niet vergeten.

Hariëtte Mingoen, voorzitter Stichting Comité Herdenking Javaanse Immigratie en bestuurslid stichting Javanen in diaspora Nederland. Beeld
Hariëtte Mingoen, voorzitter Stichting Comité Herdenking Javaanse Immigratie en bestuurslid stichting Javanen in diaspora Nederland.
Johan Raksowidjojo, voorzitter stichting Javanen in diaspora Nederland. Beeld
Johan Raksowidjojo, voorzitter stichting Javanen in diaspora Nederland.