Opinie

Opinie: ‘Nederlandse universiteiten kampen met structurele onderfinanciering’

Veel overuren maken en kleine budgetten voor onderzoek, werken in de academia wordt steeds lastiger. De universiteiten hebben dringend extra geld nodig, stelt Josef Früchtl.

Josef Früchtl
De onderfinanciering van het wetenschappelijk en hoger onderwijs is al enkele decennia aan de gang, stelt de Amsterdamse hoogleraar Josef Früchtl. Beeld Rink Hof
De onderfinanciering van het wetenschappelijk en hoger onderwijs is al enkele decennia aan de gang, stelt de Amsterdamse hoogleraar Josef Früchtl.Beeld Rink Hof

Jaren leven we nu al met de ellende van stilstand in het hoger onderwijs. Preciezer: vier jaar, de periode dat we door onderwijsminister Ingrid van Engelshoven (D66) in de steek werden gelaten.

Nadat we eerst te horen hadden gekregen dat er geen structureel financieel probleem is bij de universiteiten, hebben we vernomen dat dit probleem pas door een volgend kabinet zal kunnen worden opgelost. Nu lijkt het eraan te komen, maar qua samenstelling van partijen is het nieuwe kabinet het oude en moeten de universiteiten vrezen dat er weer geen minister zal komen die met competentie en slagkracht hun belangen zal behartigen.

Er zit namelijk een dikke knoop bij de universiteiten. Dat is allang bekend, en erkend, maar niemand van de politieke helden in Den Haag heeft er de wil en de moed voor om die knoop door te hakken. Het is de knoop van structurele onderfinanciering.

Die onderfinanciering is de laatste decennia langzamerhand opgebouwd, sinds men is begonnen van een ‘slanke staat’ te spreken. Een staat die niet zo veel geld mag uitgeven en meer aan de markt moet overlaten, een markt die juist niet slank wil zijn.

Concurrentiestimulans

In Nederland kreeg dit proces nog meer versteviging toen PvdA’er ­Ronald Plasterk als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de beslissing naam het geld niet meer direct door de universiteiten te laten verdelen, maar door Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), want dit zou zoals bij de ‘vrije markt’ de concurrentie tussen de wetenschappers stimuleren en de besten belonen.

Het resultaat is frustrerend. De zogeheten eerste geldstroom is halverwege opgedroogd en de wetenschappers worstelen nu met de gevolgen. Veel meer dan schadebeperking is er niet bij. Hier een gaatje vullen en daar een gaatje vullen. De druk neemt toe, tijd wordt steeds krapper, mensen werken op de grens van hun gezondheid. Een bevrijdende sfeer van werk, iets wat een ‘vrolijke’, creatieve wetenschap mogelijk maakt, is maar een droom.

Inmiddels is er een forse rij van studies en rapporten die deze ontnuchterende inschatting van de situatie allemaal bevestigen: van PricewaterhouseCoopers, bureau Berenschot, de Algemene Rekenkamer, de commissie Weckhuysen van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor de Wetenschappen (KNAW), het interview met scheidend KNAW-­voorzitter Wim van Sarloos en het rapport Goede Wetenschap. De groep WOinActie eist evenzeer allang dat het kabinet 1,1 miljard euro moet toevoegen aan de eerste geldstroom.

Het is belangrijk dat dit geld direct naar de universiteiten toegaat om het structurele probleem van overwerk – dat wil zeggen: onbetaald werk – op te lossen of tenminste terug te dringen. Dat kan enkel door meer wetenschappelijk personeel een vaste aanstelling te geven.

Op die manier komen onderwijs en onderzoek weer in een betere balans te staan. Formeel heb je als docent of als hoogleraar 20 of 40 procent van je werktijd beschikbaar voor onderzoek. Maar in de realiteit wordt de werkweek gedomineerd door onderwijs en bestuurlijke en andere taken. Daar komt bij dat in Nederland het academisch jaar veel langer is dan in andere Europese landen – kijk naar Duitsland en Engeland – terwijl je zeker niet kunt zeggen dat de collega’s en studenten daar minder goed zijn opgeleid. In andere landen heb je ook het recht om na een periode van drie of vier jaar een onderzoeksabbatical te nemen.

Marktgedreven mantra

Het dringend nodige extra geld voor de universiteiten mag in elk geval niet worden gekoppeld aan vermeend prestigieuze projecten. Opnieuw een mooi plan uitwerken en bij een commissie indienen, leidt maar tot extra werk en bureaucratische betutteling. Het geld mag dus ook niet naar de NWO gaan, zeker niet onder een voorzitter als Marcel Levi die de marktgedreven mantra herhaalt en wetenschap als een soort topsport beschouwt. We kunnen beter hopen dat deze ontwikkeling niet doorzet. Anders krijgen we in de wetenschap wat we in de Champions League al hebben: geldbejag en uiteindelijk corruptie.

Wie echt liefde heeft voor wetenschap, wordt, net als in de sport, gedreven door een intrinsieke waarde. Het gaat in de wetenschap dan ook niet om competitie maar om communicatie: laat me zien hoe jij het doet, misschien kan ik er iets van leren. Het vrije woord, de uitwisseling van argumenten, is een fundament van de wetenschap. Deze overtuiging geven we door aan de studenten en dat gaat beter als we meer ontspannen tijd hebben, om kwalitatief hoogstaand onderzoek te verzorgen en te kunnen blijven geven. De onderfinanciering van de universiteiten staat haaks op deze idealen.

Josef Früchtl is hoogleraar filosofie van kunst en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Beeld
Josef Früchtl is hoogleraar filosofie van kunst en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.
Meer over