Opinie

Opinie: ‘Musea zijn nog lang niet klaar met het onderzoek naar naziroofkunst’

Dat het Rijksmuseum en het Joods Cultureel Kwartier in 2024 een tentoonstelling over naziroofkunst komen, is toe te juichen. Ze zijn echter beslist niet de eerste, benadrukt hoogleraar Gregor Langfeld. Bovendien is zo’n expositie over roofkunst volgens hem pas het begin.

Gregor Langfeld
Bild mit Häusern (1909) van Wassily Kandinsky, dit jaar door het Stedelijk teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren. Beeld EPA
Bild mit Häusern (1909) van Wassily Kandinsky, dit jaar door het Stedelijk teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren.Beeld EPA

Op 9 juli kondigde Het Parool een tentoonstelling over naziroofkunst in de vorm van een interview groots aan, die het Rijksmuseum en het Joods Cultureel Kwartier in 2024 gezamenlijk zullen organiseren. Het is toe te juichen dat instellingen zoals het Rijksmuseum, die decennialang roofkunst met de grootste vanzelfsprekendheid als hun eigen bezit presenteerden, nu een gebaar naar de samenleving en de Joodse gemeenschap maken.

Er is nog steeds veel geroofd, afgeperst of anderszins onttrokken kunstbezit van Joodse burgers in openbare verzamelingen aanwezig. De nazi’s roofden zo’n 600.000 kunstwerken, waarvan er nog steeds zo’n 100.000 vermist worden. Om die reden spreken sommige historici van de grootste kunstroof ooit.

Internationaal vond er eind jaren negentig een omdenken in de omgang met roofkunst plaats. Toen ondertekenden 44 landen de zogenoemde Washington Principles met het doel naziroofkunst te identificeren en een teruggavebeleid te ontwikkelen. Deze nieuwe inzet is mede te danken aan de constante aandacht in de media voor dit onderwerp. Dit is ook de reden waarom museumdirecteuren langzamerhand hun opstelling tegenover geroofde kunst veranderen. Het traditionele beeld van het museum als morele autoriteitsinstantie staat immers op het spel.

Stedelijk in de oorlog

In het interview met Taco Dibbits en Emile Schrijver vraagt Hanneloes Pen waarom het Stedelijk Museum niet meedoet aan de tentoonstelling, aangezien in dit museum recent één van de meest opzienbarende restitutiezaken speelde. Deze zaak culmineerde in de teruggave van Kandinsky’s iconische werk Bild mit Häusern aan de erven van de familie Lewenstein op 28 februari jongstleden.

Schrijvers reactie op Pens vraag is onbegrijpelijk, omdat het de suggestie wekt dat het Stedelijk Museum de roofkunst niet aan de rechtmatige eigenaren terug wilde geven en alle verantwoordelijkheid op de Restitutiecommissie wordt afschoven. Dat terwijl het Stedelijk al in 2015 een tentoonstelling over naziroofkunst organiseerde waarin tevens Bild mit Häusern aan bod kwam (Het Stedelijk in de oorlog).

Bovendien: júíst Bild mit Häusern is zonder tussenkomst van de Restitutiecommissie door de gemeente Amsterdam, de eigenaar van de collectie van het Stedelijk Museum, aan de erven Lewenstein teruggegeven. Het Stedelijk, dat het beleid van de gemeente volgt, committeerde zich aan dit besluit. Dit gebeurde nadat de Restitutiecommissie de claim eerder had afgewezen. De Restitutiecommissie woog toen – haaks op de Washington Principles – de belangen van musea mee.

Dat heeft de commissie geen goed gedaan, en de reputatie van Nederland in restitutiezaken ook niet. Belangenafweging speelt inmiddels geen rol meer, omdat ze niet in dienst staat van het herstel van recht dat a priori voorrang zou moeten hebben. Dat een kunstwerk buiten de Restitutiecommissie om aan de erven wordt teruggegeven is in Nederland nog niet vaak voorgekomen maar geenszins uniek.

Groot nationaal onderzoek

Het Stedelijk Museum liep voorop toen het er al meer dan tien jaar geleden op wees dat Bild mit Häusern een problematische herkomstgeschiedenis heeft. Dit gebeurde in het kader van een groot nationaal onderzoek naar de herkomstgeschiedenis van kunstwerken die vanaf 1933 Nederlandse musea in zijn gekomen (Museale Verwervingen vanaf 1933). Het Rijksmuseum begon met dit onderzoek overigens pas later dan andere musea en kon zijn resultaten nog niet presenteren toen de Museumvereniging haar website in 2013 lanceerde.

Na Het Stedelijk in de oorlog organiseerden ook andere instellingen tentoonstellingen over dit onderwerp zoals de Bergkerk Deventer (2017), Boijmans Van Beuningen (2018) en het Kunstmuseum Den Haag (2021), meestal in relatie tot de eigen verzamelgeschiedenis. In 2023 volgt het Mauritshuis. De geplande tentoonstelling van het Rijksmuseum en het Joods Cultureel Kwartier komt wat later maar past goed in dit rijtje.

Het moet nog blijken of de kritische omgang met de eigen museumcollecties die na de millenniumwisseling heeft ingezet, blijvend van aard is. Of reageren musea slechts reflexachtig om openbare kritiek te ontwijken? Het wordt inmiddels steeds duidelijker dat het herkomstonderzoek naar museale objecten niet met de kortlopende projecten uit het verleden als afgehandeld beschouwd kan worden. Nog steeds zijn er veel vragen onbeantwoord en bovendien was soms informatie over bepaalde werken eerder nog niet beschikbaar.

Het zou wenselijk zijn als de herkomstgeschiedenis van mogelijk besmette en geclaimde objecten ook in de vaste collectiepresentaties wordt vermeld. Daarbij biedt herkomstonderzoek nieuwe mogelijkheden en toegangen tot objecten om de geschiedenis van kunst te vertellen; dit gaat verder dan traditionele benaderingen zoals stijlgeschiedenis, iconografie en connaisseurschap.

En waarom is de herkomstgeschiedenis van objecten in musea vaak nog steeds niet online op hun websites beschikbaar? Dergelijke en andere vragen kunnen uiteraard ook met betrekking tot koloniale roofkunst en de nog steeds bloeiende, illegale handel in antiquiteiten gesteld worden. Het gaat om de eigen historische verantwoordelijkheid van onze musea.

Gregor Langfeld is hoogleraar moderne en hedendaagse kunstgeschiedenis aan de Open Universiteit en universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam.