Opinie

Opinie: ‘Er is te weinig oog voor het Nederlandse slavernijverleden in Azië’

De laatste jaren neemt de bewustwording over het Nederlandse slavernijverleden toe. Dat betreft dan vooral de trans-Atlantische slavenhandel. Het is hoog tijd dat er ook meer aandacht komt voor het Nederlandse slavernijverleden in Azië, betoogt Reza Kartosen-Wong.

Het Parool
Een tot slaaf gemaakte Aziatische man, Jakarta ca 1779-1785. Beeld Jan Brandes/Archief Rijksmuseum
Een tot slaaf gemaakte Aziatische man, Jakarta ca 1779-1785.Beeld Jan Brandes/Archief Rijksmuseum

De bewustwording over het Nederlandse slavernijverleden is de laatste jaren sterk toegenomen. Dat was ook merkbaar tijdens de afgelopen Nationale Herdenking Slavernijverleden en de viering van Keti Koti op 1 juli. Deze ontwikkeling stemt hoopvol.

Zeker ook omdat er nog steeds mensen zijn, onder wie VVD’er Yola Hopmans (‘we moeten niet vergeten dat de slavernij ons ook veel welvaart heeft gebracht’) en de omstreden emeritus hoogleraar Piet Emmer (‘een Afrikaan die gebrandmerkt werd, kreeg het gevoel: ik hoor ergens bij’), die op even abjecte als bespottelijke wijze het Nederlandse slavernijverleden trachten wit te wassen.

Onze collectieve herinnering aan het Nederlandse slavernijverleden is echter vrij eenzijdig. Deze is grotendeels gebaseerd op kennis over Afrikaanse slaafgemaakten die werden vervoerd naar Noord- en Zuid-Amerika en daar op plantages werkten, de zogeheten trans-Atlantische slavenhandel.

Dat dit centraal staat tijdens Keti Koti is terecht en logisch. Immers, op 1 juli 1863 werd de slavernij in Suriname en op de Nederlandse Antillen afgeschaft. Nazaten van die slaafgemaakten strijden al jaren voor Nederlandse erkenning van deze slavernijgeschiedenis.

VOC

Nederland heeft zich echter ook schuldig gemaakt aan slavernij en slavenhandel in Azië. Daar wordt nauwelijks over gesproken in media, cultuur, onderwijs en de politiek. Ook in de veelbesproken tentoonstelling Slavernij in het Rijksmuseum was vorig jaar te weinig aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden in Azië. Dat is opmerkelijk, aangezien de Nederlandse betrokkenheid bij slavernij in ‘de Oost’ eerder begon, langer duurde en omvangrijker was dan in ‘de West’.

Vorige maand schreef onderzoeksjournalist Leendert van der Valk in De Groene Amsterdammer over het begin van de Nederlandse slavernij. Wat blijkt? Al op de eerste Nederlandse handelsreis naar Azië in 1595 maakten Nederlanders op Madagaskar twee jongens tot slaaf en namen hen mee naar het huidige Indonesië – zo’n 40 jaar voordat Nederland begon aan de trans-Atlantische slavenhandel.

Vervolgens was de Vereenigde Oostindische Compagnie sinds haar oprichting in 1602 structureel betrokken bij slavernij. De handelswaar aan boord van VOC-schepen bestond naast specerijen ook uit slaafgemaakte mannen, vrouwen en kinderen. Zij moesten onder meer forten bouwen en werken op plantages.

Omvolking

Ook zuiverde de VOC verschillende gebieden van hun oorspronkelijke bewoners door deze te vermoorden of te deporteren. Daar zette zij dan plantages op die werden beheerd door Europese kolonisten en bewerkt door slaafgemaakten uit andere gebieden – een ultieme vorm van omvolking.

Dat gebeurde in 1621 bijvoorbeeld ook op de Banda-eilanden, nadat Nederland genocide had gepleegd op de lokale bevolking. Gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen wilde zo een monopolie op nootmuskaat veiligstellen. Het is daarom ook verwerpelijk – en tekenend – dat een stad als Hoorn Jan Pieterszoon Coen als held blijft vereren terwijl het een schurk was die zich schuldig had gemaakt aan slavernij, moord en genocide.

In Daar werd wat gruwelijks verricht: Slavernij in Nederlands-Indië rekent schrijver Reggie Baay overtuigend af met het idee dat Nederlandse slavenhandel in Azië ‘minder erg’ was dan de trans-Atlantische slavenhandel. Hij beschrijft hoe slaafgemaakten op gruwelijke wijze werden ontmenselijkt, vervoerd, mishandeld, gemarteld en vermoord. Daarnaast was de slavernij in Azië onder Nederlands regime omvangrijk, het ging om 600.000 tot 1 miljoen slaafgemaakten – meer dan in ‘de West’.

Zware onbetaalde arbeid

Veelzeggend is ook dat in Nederlands-Indië slavernij op 1 januari 1860 officieel werd afgeschaft, maar (al dan niet in verkapte vorm) tot in de 20ste eeuw geaccepteerde praktijk was. Inheemse arbeiders waren onvrij en werden uitgebuit en gemarteld door particuliere ondernemers. En het Nederlandse koloniale regime dwong de inheemse bevolking tot veel en zware onbetaalde arbeid, bijvoorbeeld bij de aanleg van wegen. Baay constateert dat in 1942, aan de vooravond van de Japanse invasie, nog sprake was van wijdverbreide gedwongen arbeid.

Slavernij was een onmisbaar fundament van Nederlands kolonialisme in Azië. Zonder slavernij en slavenhandel zou de VOC nooit winstgevend zijn geweest en al na een paar jaar failliet zijn gegaan. De VOC was dus geen ‘normale’ handelsonderneming om trots op te zijn, maar een inherent immorele en criminele organisatie.

Hetzelfde geldt voor het Nederlandse koloniale regime dat de VOC opvolgde. Dat vonden prominente critici destijds overigens ook al en is dus geen ‘nieuwerwetse’ of ‘politiekcorrecte’ zienswijze, zoals activistische kolonialen als schrijver Kester Freriks en voornoemde Piet Emmer graag beweren.

Tunnelvisie

Nieuwe wetenschappelijke inzichten en recente publicaties, waaronder De slavernij in Oost en West: Het Amsterdam-onderzoek, benadrukken het belang van het Nederlandse slavernijverleden in Azië. Door de verbanden met de trans-Atlantische slavenhandel te belichten, wordt duidelijker hoe wijdverbreid en diepgeworteld slavernij is in de Nederlandse geschiedenis; slavernij is een fundament geweest voor – en werkt nog steeds door in – onze moderne Nederlandse samenleving.

Het is hoognodig dat in media, cultuur, onderwijs en de politiek voldoende aandacht wordt besteed aan die kennis over het Nederlandse slavernijverleden in Azië. Dat is nu geenszins het geval. Zelfs het nog op te richten Nationaal Slavernijmuseum lijkt daar vooralsnog onvoldoende in te voorzien.

Dat museum heeft óók het trans-Atlantische slavernijverleden als vertrekpunt met slechts ‘ruimte voor het slavernijverleden als geheel’, aldus een persbericht van wethouder Rutger Groot Wassink dat onbedoeld zijn tunnelvisie in deze illustreert.

Zolang er weinig aandacht is voor het Nederlandse slavernijverleden in Azië, is er geen compleet beeld van de Nederlandse betrokkenheid bij slavernij en slavenhandel. Dan is daadwerkelijk begrip en brede verwerking van ‘het’ Nederlandse slavernijverleden niet mogelijk.

Reza Kartosen-Wong, docent media en cultuur (UvA) en (kinderboeken)schrijver. Beeld Jani Yu
Reza Kartosen-Wong, docent media en cultuur (UvA) en (kinderboeken)schrijver.Beeld Jani Yu